Advanced search
1 file | 3.73 MB

Analysis of scapulothoracic muscle recruitment in overhead athletes

Ann Cools (UGent)
(2003)
Author
Promoter
(UGent)
Organization
Abstract
Chronische schouderklachten komen frequent voor bij atleten die een bovenhandse sport beoefenen. Tijdens de bovenhandse slag-, werp-, of zwembeweging wordt de schouder immers aan extreem hoge belastingen onderworpen, die de integriteit van de capsuloligamentaire structuren en de stabiliteit van het gewricht in gevaar brengen. Schouderinstabiliteit en impingement zijn frequent voorkomende oorzaken van schouderklachten bij bovenhandse atleten. De schouder heeft omwille van zijn aanzienlijke mobiliteit een groot deel van zijn structurele stabiliteit moeten prijsgeven. Dit gewricht wordt dan ook vaak als “inherent instabiel” beschouwd. Door het gebrek aan mechanische stijfheid moet het in grote mate beroep doen op een optimale spierfunctie om de functionele stabiliteit te garanderen. Een belangrijke rol in deze functionele schouderstabiliteit is weggelegd voor de scapula. Het schouderblad fungeert immers als stabiele basis voor het glenohumeraal gewricht. Bovendien is de scapula een aanhechtingspunt voor zowel axioscapulaire als glenohumerale spieren, en is het een belangrijke schakel in de kinetische keten die tijdens bovenhandse bewegingen de noodzakelijke energie moet overbrengen van de romp naar de werpende hand. De scapulaire stabiliteit en mobiliteit hangt in grote mate af van de coördinatie van de verschillende scapulothoracale spieren. De trapezius en de serratus anterior worden beschouwd als de belangrijkste scapulaire stabilisatoren. Reeds geruime tijd vermoedt men dat er een verband bestaat tussen glenohumerale klachten en een disfunctie in het scapulothoracaal gewricht. In de literatuur wordt vaak gesuggereerd dat patiënten met impingement klachten en functionele instabiliteit afwijkingen zouden vertonen in het bewegingspatroon van de scapula, en in de spieractiviteit van de scapulaire spieren. Vooral de serratus anterior en de trapezius pars ascendens zouden minder actief zijn in deze populatie. Verscheidene studies hebben reeds aangetoond dat patiënten met schouderklachten afwijkingen vertonen in het scapulohumeraal ritme, en minder electromyografische activiteit genereren in de scapulaire spieren. Een optimaal musculair evenwicht in het scapulothoracaal gewricht is echter niet enkel afhankelijk van de intensiteit van de spieractiviteit in de scapulothoracale spieren. Ook de timing van de spieractivatie en de onderlinge spierrekruteringsvolgorde worden als belangrijke parameters beschouwd van het musculaire evenwicht. Dit aspect van de neuromusculaire coördinatie is echter tot nog toe niet onderzocht in het scapulothoracaal gewricht. Daarom werd in een eerste studie het scapulothoracaal spierrekruteringspatroon geëvalueerd bij een gezonde populatie. De resultaten van deze studie tonen aan dat in een gezonde schouder, bij een onverwachte valbeweging van de arm, de drie trapeziusbundels tegelijk geactiveerd worden om het evenwicht te herstellen. In dit onderzoek werd ook nagegaan welke de effecten zijn van vermoeidheid op de spierlatentietijden. Dit gegeven is klinisch relevant aangezien schouderklachten vaak gerelateerd worden aan het optreden van musculaire vermoeidheid. De resultaten tonen aan dat bij vermoeidheid de spierreactietijden vertraagd zijn, maar de rekruteringsvolgorde ongewijzigd blijft. In een tweede onderzoek werden de spierlatentietijden geëvalueerd bij bovenhandse atleten met schouderklachten. Uit deze studie blijkt dat bij de patiënten de spierlatentietijden langer zijn dan bij een controlegroep, en dat deze vertraagde reactie zich vooral manifesteert in de trapezius pars ascendens. Bovendien komen de afwijkingen in de spierlatentietijden bilateraal voor. Uit deze studie kan geconcludeerd worden dat er een stoornis is in de spierrekrutering van de trapezius bij patiënten met impingement en functionele instabiliteit, waarbij voornamelijk disfuncties terug te vinden zijn in de timing van de onderste trapeziusbundel. Naast de evaluatie van electromyografische spieractiviteit, is de isokinetische krachtevaluatie van grote waarde in het objectief onderzoek naar de scapulothoracale spierfunctie. In tegenstelling tot de andere gewrichten werd tot nog toe de isokinetische kracht tijdens schoudergordel protractie en -retractie niet objectief wetenschappelijk geëvalueerd. Daarom werd in een derde studie de reproduceerbaarheid van dit nieuwe isokinetische protocol getest. Uit de resultaten blijkt dat de isokinetische krachtevaluatie van de scapulaire protractie en retractiebewegingen zeer betrouwbaar is. In een laatste studie werd de isokinetische protractie en -retractiekracht geëvalueerd bij bovenhandse sporters met impingement symptomen. Simultaan werd de electromyografische spieractiviteit geregistreerd in de scapulaire spieren. De resultaten van deze studie tonen aan dat aan de pijnlijke zijde, de patiënten een verminderde protractiekracht hebben. Dit zou kunnen wijzen op krachtsvermindering in de serratus anterior, en aldus vroeger geformuleerde hypothesen met betrekking tot inhibitie van deze spiergroep bevestigen. Uit het electromyografisch onderzoek blijkt bovendien dat tijdens isokinetische retractie, er een verminderde spieractiviteit is in de trapezius pars ascendens. Dit betekent dat er mogelijks een musculair onevenwicht is binnen de trapeziusbundels. De vraag dringt zich op welke de klinische implicaties zijn van onze onderzoeksresultaten. In de klinische literatuur wordt vaak aangeraden om scapulothoracale spiertraining te incorporeren in de revalidatie van de pijnlijke schouder bij de atleet. Onze resultaten bevestigen het belang van het trainen van de serratus anterior en het herstellen van het musculair evenwicht in de trapezius met speciale aandacht voor de correcte timing van spieractivatie van deze spierbundel. Bovendien is het verbeteren van de uithouding om aldus vermoeidheid in de scapulaire spieren te minimaliseren van groot belang. Een systematische evaluatie van de glenohumerale en scapulothoracale spierfunctie is de sleutel tot een succesvolle revalidatie van de bovenhandse atleet met schouderklachten. Daarin moeten zowel de kracht, als de musculaire controle, het musculaire evenwicht, de individuele spieractiviteit, de spierlatentietijd en het spierrekruteringspatroon aan bod komen. Dit proefschrift behandelt verschillende van deze aspecten en wil op deze manier een wetenschappelijke en klinisch bijdrage bieden aan de evaluatie en revalidatie van de atleet met schouderklachten.

Downloads

  • 801001244586.pdf
    • full text
    • |
    • open access
    • |
    • PDF
    • |
    • 3.73 MB

Citation

Please use this url to cite or link to this publication:

Chicago
Cools, Ann. 2003. “Analysis of Scapulothoracic Muscle Recruitment in Overhead Athletes”. Gent: Ghent university.
APA
Cools, Ann. (2003). Analysis of scapulothoracic muscle recruitment in overhead athletes. Ghent university, Gent.
Vancouver
1.
Cools A. Analysis of scapulothoracic muscle recruitment in overhead athletes. [Gent]: Ghent university; 2003.
MLA
Cools, Ann. “Analysis of Scapulothoracic Muscle Recruitment in Overhead Athletes.” 2003 : n. pag. Print.
@phdthesis{481049,
  abstract     = {Chronische schouderklachten komen frequent voor bij atleten die een bovenhandse sport beoefenen. Tijdens de bovenhandse slag-, werp-, of zwembeweging wordt de schouder immers aan extreem hoge belastingen onderworpen, die de integriteit van de capsuloligamentaire structuren en de stabiliteit van het gewricht in gevaar brengen. Schouderinstabiliteit en impingement zijn frequent voorkomende oorzaken van schouderklachten bij bovenhandse atleten.  De schouder heeft omwille van zijn aanzienlijke mobiliteit een groot deel van zijn structurele stabiliteit moeten prijsgeven. Dit gewricht wordt dan ook vaak als {\textquotedblleft}inherent instabiel{\textquotedblright} beschouwd. Door het gebrek aan mechanische stijfheid moet het in grote mate beroep doen op een optimale spierfunctie om de functionele stabiliteit te garanderen.  Een belangrijke rol in deze functionele schouderstabiliteit is weggelegd voor de scapula. Het schouderblad fungeert immers als stabiele basis voor het glenohumeraal gewricht. Bovendien is de scapula een aanhechtingspunt voor zowel axioscapulaire als glenohumerale spieren, en is het een belangrijke schakel in de kinetische keten die tijdens bovenhandse bewegingen de noodzakelijke energie moet overbrengen van de romp naar de werpende hand. De scapulaire stabiliteit en mobiliteit hangt in grote mate af van de co{\"o}rdinatie van de verschillende scapulothoracale spieren. De trapezius en de serratus anterior worden beschouwd als de belangrijkste scapulaire stabilisatoren.  Reeds geruime tijd vermoedt men dat er een verband bestaat tussen glenohumerale klachten en een disfunctie in het scapulothoracaal gewricht. In de literatuur wordt vaak gesuggereerd dat pati{\"e}nten met impingement klachten en functionele instabiliteit afwijkingen zouden vertonen in het bewegingspatroon van de scapula, en in de spieractiviteit van de scapulaire spieren. Vooral de serratus anterior en de trapezius pars ascendens zouden minder actief zijn in deze populatie. Verscheidene studies hebben reeds aangetoond dat pati{\"e}nten met schouderklachten afwijkingen vertonen in het scapulohumeraal ritme, en minder electromyografische activiteit genereren in de scapulaire spieren.  Een optimaal musculair evenwicht in het scapulothoracaal gewricht is echter niet enkel afhankelijk van de intensiteit van de spieractiviteit in de scapulothoracale spieren. Ook de timing van de spieractivatie en de onderlinge spierrekruteringsvolgorde worden als belangrijke parameters beschouwd van het musculaire evenwicht. Dit aspect van de neuromusculaire co{\"o}rdinatie is echter tot nog toe niet onderzocht in het scapulothoracaal gewricht. Daarom werd in een eerste studie het scapulothoracaal spierrekruteringspatroon ge{\"e}valueerd bij een gezonde populatie. De resultaten van deze studie tonen aan dat in een gezonde schouder, bij een onverwachte valbeweging van de arm, de drie trapeziusbundels tegelijk geactiveerd worden om het evenwicht te herstellen. In dit onderzoek werd ook nagegaan welke de effecten zijn van vermoeidheid op de spierlatentietijden. Dit gegeven is klinisch relevant aangezien schouderklachten vaak gerelateerd worden aan het optreden van musculaire vermoeidheid. De resultaten tonen aan dat bij vermoeidheid de spierreactietijden vertraagd zijn, maar de rekruteringsvolgorde ongewijzigd blijft.  In een tweede onderzoek werden de spierlatentietijden ge{\"e}valueerd bij bovenhandse atleten met schouderklachten. Uit deze studie blijkt dat bij de pati{\"e}nten de spierlatentietijden langer zijn dan bij een controlegroep, en dat deze vertraagde reactie zich vooral manifesteert in de trapezius pars ascendens. Bovendien komen de afwijkingen in de spierlatentietijden bilateraal voor. Uit deze studie kan geconcludeerd worden dat er een stoornis is in de spierrekrutering van de trapezius bij pati{\"e}nten met impingement en functionele instabiliteit, waarbij voornamelijk disfuncties terug te vinden zijn in de timing van de onderste trapeziusbundel.  Naast de evaluatie van electromyografische spieractiviteit, is de isokinetische krachtevaluatie van grote waarde in het objectief onderzoek naar de scapulothoracale spierfunctie. In tegenstelling tot de andere gewrichten werd tot nog toe de isokinetische kracht tijdens schoudergordel protractie en -retractie niet objectief wetenschappelijk ge{\"e}valueerd. Daarom werd in een derde studie de reproduceerbaarheid van dit nieuwe isokinetische protocol getest. Uit de resultaten blijkt dat de isokinetische krachtevaluatie van de scapulaire protractie en retractiebewegingen zeer betrouwbaar is.  In een laatste studie werd de isokinetische protractie en -retractiekracht ge{\"e}valueerd bij bovenhandse sporters met impingement symptomen. Simultaan werd de electromyografische spieractiviteit geregistreerd in de scapulaire spieren. De resultaten van deze studie tonen aan dat aan de pijnlijke zijde, de pati{\"e}nten een verminderde protractiekracht hebben. Dit zou kunnen wijzen op krachtsvermindering in de serratus anterior, en aldus vroeger geformuleerde hypothesen met betrekking tot inhibitie van deze spiergroep bevestigen. Uit het electromyografisch onderzoek blijkt bovendien dat tijdens isokinetische retractie, er een verminderde spieractiviteit is in de trapezius pars ascendens. Dit betekent dat er mogelijks een musculair onevenwicht is binnen de trapeziusbundels.  De vraag dringt zich op welke de klinische implicaties zijn van onze onderzoeksresultaten. In de klinische literatuur wordt vaak aangeraden om scapulothoracale spiertraining te incorporeren in de revalidatie van de pijnlijke schouder bij de atleet. Onze resultaten bevestigen het belang van het trainen van de serratus anterior en het herstellen van het musculair evenwicht in de trapezius met speciale aandacht voor de correcte timing van spieractivatie van deze spierbundel. Bovendien is het verbeteren van de uithouding om aldus vermoeidheid in de scapulaire spieren te minimaliseren van groot belang.  Een systematische evaluatie van de glenohumerale en scapulothoracale spierfunctie is de sleutel tot een succesvolle revalidatie van de bovenhandse atleet met schouderklachten. Daarin moeten zowel de kracht, als de musculaire controle, het musculaire evenwicht, de individuele spieractiviteit, de spierlatentietijd en het spierrekruteringspatroon aan bod komen. Dit proefschrift behandelt verschillende van deze aspecten en wil op deze manier een wetenschappelijke en klinisch bijdrage bieden aan de evaluatie en revalidatie van de atleet met schouderklachten.},
  author       = {Cools, Ann},
  language     = {eng},
  pages        = {VI, 139},
  publisher    = {Ghent university},
  school       = {Ghent University},
  title        = {Analysis of scapulothoracic muscle recruitment in overhead athletes},
  url          = {http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/000/793/968/RUG01-000793968\_2010\_0001\_AC.pdf},
  year         = {2003},
}