Advanced search
1 file | 6.53 MB Add to list

Buddhist translation practices in Medieval China: the case of the Buddhacarita

Laura Lettere (UGent)
(2019)
Author
Promoter
(UGent)
Organization
Abstract
Boeddhistische vertaalpraktijken in het middeleeuwse China: het geval van de Buddhacarita Dit werk heeft tot doel een filologische analyse te geven van de Fo suoxing zan 佛所行讚, de middeleeuwse Chinese vertaling van het Sanskriet gedicht Buddhacarita, een poëtisch relaas over het leven van Boeddha geschreven in het Sanskriet door de dichter Aśvaghoṣa aan het einde van de eerste of begin van de tweede eeuw n.Chr. De Buddhacarita wordt gedefinieerd als een mahākāvya, een ornamenteel poëtisch werk; het valt onder het genre van de sargabandha, een samenstelling van hoofdstukken (sarga) die met elkaar verbonden worden (bandha) in een verhaal. De Chinese vertaling van de Buddhacarita werd in de eerste helft van de vijfde eeuw n.Chr. voltooid in de hoofdstad van de Liu Song-dynastie (420-479); in de Taishō-editie van het Chinees-boeddhistische canon is het werk geïndexeerd als T192. Edward Hamilton Johnston heeft in 1936 een kritische uitgave van de Buddhacarita gepubliceerd; het bevat de eerste veertien hoofdstukken van het gedicht waarin het leven van Boeddha tot aan zijn verlichting wordt beschreven. De Fo suoxing zan bestaat uit 28 hoofdstukken en beschrijft het leven van Boeddha van zijn geboorte tot de verdeling van zijn relikwieën – de Tibetaanse vertaling die voltooid is in de elfde eeuw kent gelijksoortige eigenschappen. Aangezien de Chinese en Tibetaanse versies dezelfde lengte hebben, wordt algemeen verondersteld dat Aśvaghoṣa’s gedicht initieel uit 28 hoofdstukken bestond. Als we het belang en de literaire waarde van de Buddhacarita, het oudste volledige relaas over het leven van Boeddha in Sanskriet dat geschreven is met een expliciet esthetische functie, in aanmerking nemen, dan is het begrijpelijk dat in voorgaande academische werken de Chinese en Tibetaanse versies voornamelijk werden gebruikt voor de reconstructie van het Sanskriet manuscript. Op de lange termijn heeft deze benadering echter tot een onderwaardering van de Chinese vertaling van de Buddhacarita en van haar invloed op andere teksten in het Chinees-boeddhistische canon geleid. Dit onderzoek is een aanpassing op deze benadering en heeft tot doel de bijzonderheden en de historische context waarin de Fo suoxing zan tot stand is gekomen, te beschrijven. Verdere conclusies worden getrokken uit een vergelijking tussen de Fo suoxing zan en de Buddhacarita. De voornaamste hypothese is dat de verschillen tussen de Fo suoxing zan en het “originele” Sanskriet gedicht interessante details over de omstandigheden waarin monniken-vertalers hun werk uitvoerden aan het licht kunnen brengen. Het eerste hoofdstuk van deze dissertatie behandelt de ontdekking van en onderzoek naar de tekst van de Buddhacarita. Europese onderzoekers werden zich in eerste instantie bewust van het belang van de Buddhacarita door toedoen van historische verslagen uit China over Aśvaghoṣa en dankzij de uitgave van een Engelse versie van de Fo suoxing zan in 1883 door Samuel Beal. Het tweede hoofdstuk van deze dissertatie behandelt de mogelijke toeschrijvingen van de Chinese vertaling op basis van de vroegste catalogi van Boeddhistische teksten, haar receptie in China en een beschrijving van het Dunhuang-manuscript dat een uittreksel van de Fo suoxing zan bevat. Het hoofdstuk bevat ook een literatuuroverzicht betreffende het debat over de Fo suoxing zan in China en over de Tibetaanse vertaling. Het derde hoofdstuk gaat in op de persoon van de vertaler. Sengyou schrijft de vertaling van de Buddhacarita toe aan de monnik Baoyun (376?-449). Hij was een monnik met een onduidelijke clanverwantschap uit de noordwestelijk gelegen regio Liangzhou; hij is naar India gereisd in dezelfde periode dat Faxian zijn bekende reis heeft afgelegd. Uit de biografie van Baoyun komen we te weten dat hij Sanskriet heeft gestudeerd en dat hij met bekende Indische monniken heeft samengewerkt aan de vertaling van enkele teksten. Het vierde hoofdstuk gaat in op de levens van de monniken met wie Baoyun heeft samengewerkt en de verschillende vertalingen die aan hen worden toegeschreven. Uit twee verschillende database-onderzoeken zal worden aangetoond dat de vertaalactiviteiten van Baoyun naar alle waarschijnlijkheid het ontbrekende element zijn dat ogenschijnlijk niet-verwante titels met elkaar weet te verbinden. In het vijfde hoofdstuk worden de meer gevoelige gevallen van inkorting in de vertaling geanalyseerd, nl. daar waar het de beschrijving van vrouwen en courtisanes betreft. Het hoofdstuk begint met een analyse van de vertaaltheorie zoals die door Chinees-Boeddhistische auteurs werd geformuleerd tot aan de vijfde eeuw en toont aan dat het inkorten en samenvatten van teksten niet beschouwd werden als een tekortkoming indien het de lezer in staat stelde de inhoud van de brontekst beter te begrijpen. Het zesde hoofdstuk behandelt de definitie van verwantschap. Het eerste deel van het hoofdstuk probeert de beschrijving van verwantschap in de Buddhacarita te definiëren. In het tweede deel wordt een lijst van voorbeelden van aanpassingen van de brontekst in de vertaling gepresenteerd waarbij speciale aandacht wordt geschonken aan de persoon van de koning. In het zevende hoofdstuk wordt een analyse gegeven van de houding van de vertalers ten opzichte van de brahmanen en asceten waarbij wordt aangetoond dat de vertalers toespelingen op de nauwe banden tussen de koning en de brahmanen hebben vermeden. Een paragraaf zal gewijd worden aan de vertaling van het concept dharma. In het achtste hoofdstuk zal nader in worden gegaan op een voornaam verschil tussen de brontekst en de vertaling, nl. het in de vertaling geïntroduceerde begrip “bodhisattva” dat in de vertaling meer dan 60 keer gebruikt wordt. Wat voor een soort bodhisattva hadden de vertalers in gedachte? Twee hypothesen dienen zich aan: de Chinese vertaler zou beïnvloed kunnen zijn door een mondeling commentaar dat naar Gautama als “bodhisatto” verwijst, een Pāli begrip dat in vroege vertellingen over de voorgaande levens van Boeddha regelmatig aangewend werd; in de Fo suoxing zan gaat het Chinese begrip pusa 菩萨 doorgaans gepaard met kwaliteiten en definities die een nauwe verwantschap hebben met het Mahāyānic-idee van bodhisattva. Het negende hoofdstuk gaat in op de invloed van de Fo suoxing zan (T192) op de samenstelling van de Guoqu xianzai yinguo jing (T189), een tekst uit de tweede helft van de vijfde eeuw. De bijlage bevat de vertaling van de eerste zes hoofdstukken van de Fo suoxing zan met verwijzingen naar de Sanskriet tekst en een analyse van de eigenschappen van de vertaling.
Buddhist translation practices in Medieval China: the case of the Buddhacarita Abstract The aim of the present work is to provide a philological analysis of the Fo suoxing zan 佛所行讚, the Medieval Chinese translation of the Sanskrit poem Buddhacarita, the poetic account of the life of the Buddha composed in Sanskrit by the poet Aśvaghoṣa in the late first or early second century CE. The Buddhacarita defines itself as a mahākāvya, a work of ornate poetry; it belongs to the genre of the sargabandha, i.e. a collection of chapters (sarga) linked together (bandha) in a story. The Chinese translation of the Buddhacarita was completed in the first half of the fifth century CE in the capital of the Liu Song (420-479) dynasty; it is now listed as T192 in the Taishō edition of the Chinese Buddhist Canon. The critical edition of the Buddhacarita was published by Edward Hamilton Johnston in 1936; it includes the first fourteen chapters of the poem, covering the life of the Buddha up to the enlightenment. The Fo suoxing zan is made up of twenty-eight chapters, covering the life of the Buddha from his birth to the partition of his relics – similar characteristics are shared by the Tibetan translation, completed in the 11th century. Since the Chinese and the Tibetan versions are the same length, it is generally understood that Aśvaghoṣa’s poem was originally made up of twenty-eight chapters. If we consider the importance and the literary value of the Buddhacarita, the earliest complete account on the life of the Buddha in Sanskrit composed with an explicit aesthetic purpose, it is understandable that early scholarly works mostly used the Chinese and Tibetan versions as tools to edit and to reconstruct the Sanskrit manuscript. In the long term, however, this attitude led to the underestimation of the importance of the Chinese translation of the Buddhacarita and of its influence on other texts in the Chinese Buddhist Canon. This study reverses this perspective and aims to describe the peculiarities and the historical context in which the Fo suoxing zan was produced. The present work derives further conclusions from a comparison between the Fo suoxing zan and the Buddhacarita. The main hypothesis is that the discrepancies between the Fo suoxing zan and the “original” Sanskrit poem can reveal interesting details on the circumstances in which monk-translators carried out their duty. The first chapter of this dissertation will deal with the discovery and study of the text of the Buddhacarita. European scholars first realized the importance of the Buddhacarita through the lens of Chinese historical accounts about Aśvaghoṣa and thanks to the publication of an English version of the Fo suoxing zan in the year 1883 by Reverend Samuel Beal. The second chapter of this dissertation will deal with the possible attributions of the Chinese translation according to the earliest catalogues of Buddhist texts, its reception in China, and the description of the Dunhuang manuscript containing an excerpt of the Fo suoxing zan. The chapter also contains a review of the literature on the debate about the Fo suoxing zan in China and about the Tibetan translation. The third chapter will deal with the figure of the translator. Sengyou attributes the translation of the Buddhacarita to the monk Baoyun (376?-449). A monk from the north-western region of Liangzhou, Baoyun had obscure clan origins; he travelled to India in the same period in which Faxian undertook his more famous journey. From Baoyun’s biography we understand that he studied Sanskrit and that he collaborated on the translation of several texts with famous Indian monks. The fourth chapter will deal with the lives of the monks that collaborated with Baoyun and the translation projects attributed to them. Two different database searches will show how Baoyun’s translation activity is the most probable hidden link between apparently unrelated titles. The fifth chapter will analyze the most sensitive cases of abridgment in the translation, related to the description of women and courtesans. The chapter will start with an analysis of the theories on translations as formulated by Chinese Buddhist authors up to the fifth century showing that abridging and summarizing were not considered shortcomings if meant to help the reader understand the content of the source text. The sixth chapter focuses on the definition of kingship. The first part of the chapter tries to define the description of kingship in the Buddhacarita. The second part presents a list of examples of adjustments of the source text in the translation, with special focus on the figure of the king. In the seventh chapter there will be an analysis of the attitude of the translators towards brahmans and ascetics, showing that the translators avoided references to the close relationship between the king and brahmans. A paragraph will be devoted to the translation of the concept of dharma. The eighth chapter will focus on a major difference between the source text and the translation, the introduction of the word “bodhisattva” a term repeated more than sixty times in the translation. What kind of bodhisattva were the translators thinking of? Two major hypotheses arise: the Chinese translator may have been influenced by an oral commentary referring to Gautama as “bodhisatto”, a Pāli term frequently employed in early narratives of the previous lives of the Buddha; on the other hand, we will see that in the Fo suoxing zan the Chinese term pusa 菩萨 is often accompanied by qualities and definitions close to the Mahāyānic idea of bodhisattva. The ninth chapter deals with the influence the Fo suoxing zan (T192) had on the compilation of the Guoqu xianzai yinguo jing (T189), a text dated to the second half of the fifth century. The appendix includes the translation of the first sixth chapters of the Fo suoxing zan, with notes to the Sanskrit text and analysis of the features of the translation.

Downloads

  • Laura Lettere PhD.pdf
    • full text
    • |
    • open access
    • |
    • PDF
    • |
    • 6.53 MB

Citation

Please use this url to cite or link to this publication:

MLA
Lettere, Laura. “Buddhist Translation Practices in Medieval China: The Case of the Buddhacarita.” 2019 : n. pag. Print.
APA
Lettere, L. (2019). Buddhist translation practices in Medieval China: the case of the Buddhacarita.
Chicago author-date
Lettere, Laura. 2019. “Buddhist Translation Practices in Medieval China: The Case of the Buddhacarita.”
Chicago author-date (all authors)
Lettere, Laura. 2019. “Buddhist Translation Practices in Medieval China: The Case of the Buddhacarita.”
Vancouver
1.
Lettere L. Buddhist translation practices in Medieval China: the case of the Buddhacarita. 2019.
IEEE
[1]
L. Lettere, “Buddhist translation practices in Medieval China: the case of the Buddhacarita,” 2019.
@phdthesis{8589627,
  abstract     = {Boeddhistische vertaalpraktijken in het middeleeuwse China:
het geval van de Buddhacarita

Dit werk heeft tot doel een filologische analyse te geven van de Fo suoxing zan 佛所行讚, de middeleeuwse Chinese vertaling van het Sanskriet gedicht Buddhacarita, een poëtisch relaas over het leven van Boeddha geschreven in het Sanskriet door de dichter Aśvaghoṣa aan het einde van de eerste of begin van de tweede eeuw n.Chr.
	De Buddhacarita wordt gedefinieerd als een mahākāvya, een ornamenteel poëtisch werk; het valt onder het genre van de sargabandha, een samenstelling van hoofdstukken (sarga) die met elkaar verbonden worden (bandha) in een verhaal. De Chinese vertaling van de Buddhacarita werd in de eerste helft van de vijfde eeuw n.Chr. voltooid in de hoofdstad van de Liu Song-dynastie (420-479); in de Taishō-editie van het Chinees-boeddhistische canon is het werk geïndexeerd als T192.
	Edward Hamilton Johnston heeft in 1936 een kritische uitgave van de Buddhacarita gepubliceerd; het bevat de eerste veertien hoofdstukken van het gedicht waarin het leven van Boeddha tot aan zijn verlichting wordt beschreven. De Fo suoxing zan bestaat uit 28 hoofdstukken en beschrijft het leven van Boeddha van zijn geboorte tot de verdeling van zijn relikwieën – de Tibetaanse vertaling die voltooid is in de elfde eeuw kent gelijksoortige eigenschappen. Aangezien de Chinese en Tibetaanse versies dezelfde lengte hebben, wordt algemeen verondersteld dat Aśvaghoṣa’s gedicht initieel uit 28 hoofdstukken bestond.
	Als we het belang en de literaire waarde van de Buddhacarita, het oudste volledige relaas over het leven van Boeddha in Sanskriet dat geschreven is met een expliciet esthetische functie, in aanmerking nemen, dan is het begrijpelijk dat in voorgaande academische werken de Chinese en Tibetaanse versies voornamelijk werden gebruikt voor de reconstructie van het Sanskriet manuscript. Op de lange termijn heeft deze benadering echter tot een onderwaardering van de Chinese vertaling van de Buddhacarita en van haar invloed op andere teksten in het Chinees-boeddhistische canon geleid. Dit onderzoek is een aanpassing op deze benadering en heeft tot doel de bijzonderheden en de historische context waarin de Fo suoxing zan tot stand is gekomen, te beschrijven.
	Verdere conclusies worden getrokken uit een vergelijking tussen de Fo suoxing zan en de Buddhacarita. De voornaamste hypothese is dat de verschillen tussen de Fo suoxing zan en het “originele” Sanskriet gedicht interessante details over de omstandigheden waarin monniken-vertalers hun werk uitvoerden aan het licht kunnen brengen.
	Het eerste hoofdstuk van deze dissertatie behandelt de ontdekking van en onderzoek naar de tekst van de Buddhacarita. Europese onderzoekers werden zich in eerste instantie bewust van het belang van de Buddhacarita door toedoen van historische verslagen uit China over Aśvaghoṣa en dankzij de uitgave van een Engelse versie van de Fo suoxing zan in 1883 door Samuel Beal.
	Het tweede hoofdstuk van deze dissertatie behandelt de mogelijke toeschrijvingen van de Chinese vertaling op basis van de vroegste catalogi van Boeddhistische teksten, haar receptie in China en een beschrijving van het Dunhuang-manuscript dat een uittreksel van de Fo suoxing zan bevat. Het hoofdstuk bevat ook een literatuuroverzicht betreffende het debat over de Fo suoxing zan in China en over de Tibetaanse vertaling.
	Het derde hoofdstuk gaat in op de persoon van de vertaler. Sengyou schrijft de vertaling van de Buddhacarita toe aan de monnik Baoyun (376?-449). Hij was een monnik met een onduidelijke clanverwantschap uit de noordwestelijk gelegen regio Liangzhou; hij is naar India gereisd in dezelfde periode dat Faxian zijn bekende reis heeft afgelegd. Uit de biografie van Baoyun komen we te weten dat hij Sanskriet heeft gestudeerd en dat hij met bekende Indische monniken heeft samengewerkt aan de vertaling van enkele teksten.
	Het vierde hoofdstuk gaat in op de levens van de monniken met wie Baoyun heeft samengewerkt en de verschillende vertalingen die aan hen worden toegeschreven. Uit twee verschillende database-onderzoeken zal worden aangetoond dat de vertaalactiviteiten van Baoyun naar alle waarschijnlijkheid het ontbrekende element zijn dat ogenschijnlijk niet-verwante titels met elkaar weet te verbinden.
	In het vijfde hoofdstuk worden de meer gevoelige gevallen van inkorting in de vertaling geanalyseerd, nl. daar waar het de beschrijving van vrouwen en courtisanes betreft. Het hoofdstuk begint met een analyse van de vertaaltheorie zoals die door Chinees-Boeddhistische auteurs werd geformuleerd tot aan de vijfde eeuw en toont aan dat het inkorten en samenvatten van teksten niet beschouwd werden als een tekortkoming indien het de lezer in staat stelde de inhoud van de brontekst beter te begrijpen.
	Het zesde hoofdstuk behandelt de definitie van verwantschap. Het eerste deel van het hoofdstuk probeert de beschrijving van verwantschap in de Buddhacarita te definiëren. In het tweede deel wordt een lijst van voorbeelden van aanpassingen van de brontekst in de vertaling gepresenteerd waarbij speciale aandacht wordt geschonken aan de persoon van de koning.
	In het zevende hoofdstuk wordt een analyse gegeven van de houding van de vertalers ten opzichte van de brahmanen en asceten waarbij wordt aangetoond dat de vertalers toespelingen op de nauwe banden tussen de koning en de brahmanen hebben vermeden. Een paragraaf zal gewijd worden aan de vertaling van het concept dharma.
	In het achtste hoofdstuk zal nader in worden gegaan op een voornaam verschil tussen de brontekst en de vertaling, nl. het in de vertaling geïntroduceerde begrip “bodhisattva” dat in de vertaling meer dan 60 keer gebruikt wordt. Wat voor een soort bodhisattva hadden de vertalers in gedachte? Twee hypothesen dienen zich aan: de Chinese vertaler zou beïnvloed kunnen zijn door een mondeling commentaar dat naar Gautama als “bodhisatto” verwijst, een Pāli begrip dat in vroege vertellingen over de voorgaande levens van Boeddha regelmatig aangewend werd; in de Fo suoxing zan gaat het Chinese begrip pusa 菩萨 doorgaans gepaard met kwaliteiten en definities die een nauwe verwantschap hebben met het Mahāyānic-idee van bodhisattva.
	Het negende hoofdstuk gaat in op de invloed van de Fo suoxing zan (T192) op de samenstelling van de Guoqu xianzai yinguo jing (T189), een tekst uit de tweede helft van de vijfde eeuw.
	De bijlage bevat de vertaling van de eerste zes hoofdstukken van de Fo suoxing zan met verwijzingen naar de Sanskriet tekst en een analyse van de eigenschappen van de vertaling.
 
},
  author       = {Lettere, Laura},
  language     = {eng},
  school       = {Ghent University},
  title        = {Buddhist translation practices in Medieval China: the case of the Buddhacarita},
  year         = {2019},
}