Advanced search
1 file | 2.64 MB

The perspectives of teachers and adolescents on sexuality education in Ecuadorian schools

(2018)
Author
Promoter
(UGent) and (UGent)
Organization
Abstract
Nederlandse samenvatting Wereldwijd wordt de noodzaak vastgesteld om een seksuele opvoeding aan te pakken die een seksuele en reproductieve gezondheid garandeert. Recente ontwikkelingen zorgen er voor dat seksualiteit en reproductieve rechten zijn opgenomen in internationale overeenkomsten (Chandra-Mouli et al., 2015; Fajardo-Heyward, 2016. Het garanderen van deze rechten wordt vooral benadrukt in de adolescentieperiode (Sundaram, Maxwell, Ollis, 2016). In Ecuador, een eerder Klein midden-inkomen land in Latijns-Amerika, zijn de rechten van adolescenten m.b.t. seksule opvoeding een onderdeel van het socio-politieke plan "Bon Viver” (een goed leven) dat ook is vastgelegd in de nieuwste Ecuadoraanse grondwet van 2008, artikel N. 26. (Asamblea Constituyente, 2008) en geratificeerd werd in de regeringsperiode 2013-2017 (Senplades, 2013). Dit plan is een noodzaak omdat de beschikbare indicatoren m.b.t. seksuele en reproductieve gezondheid in Ecuador weinig bemoedigend zijn. In 2010 rapporteerde Ecuador het hoogste percentages tienerzwangerschappen van Zuid-Amerika (García, Gonzáles, Forero, & Buitrago, 2010). Het percentage tienerzwangerschappen steeg – in 2010 - met 78% bij meisjes tussen 10 en 14 jaar oud (Gomez de la Torre, 2016). Naast tienerzwangerschappen kent deze groep ook een hoog niveau van gendergeweld (INEC, 2010). Deze kritieke situatie staat central in het nationaal plan "Bin Viver" 2013-2017, waarin gesteld wordt: "Tegen 2030, wordt wat betreft tienerzwangerschappen een vermindering met 15% vooropgesteld bij meisjes van 15 tot 19 jaar en dit via geïntegreerde programma's voor seksuele opvoeding" (Senplades, 2013, blz. 39). Bij het implementeren van wetgeving met betrekking tot seksuele vorming speelt het nationale onderwijssysteem een sleutelrol (Bay-Cheng, 2003, Thomas & Aggleton, 2016). Een integratie van seksuele voorlichting in het onderwijssysteem houdt echter in dat problemen op school- en klasniveau worden aangepakt. In Latijns-Amerikaanse landen kenmerkt seksuele opvoeding sich nog steeds door een biologische benadering met een nadruk op onderdrukking van seksualiteit en het overdragen van negatieve opvattingen over seksueel gedrag. Dat is vreemd gezien het onderwijs-juridische kader dat voorziet in schoolse seksuele opvoeding die overeenstemt met een mensenrechtenbenadering (Darré, Jerves, Castillo, & Enzlin, 2015). Maar de werkelijkheid verschilt van deze juridische realiteit. In Ecuador is de invulling van het officiële curriculum voor seksuele opvoeding – in overeenstemming met het plan "Bon viver" – maar gradueel verschoven van een biologische benadering naar een meer omvattende en op mensenrechten gebaseerde aanpak. Maar sinds 2015 kent datzelfde curriculum weer een drastische kentering en een verschuiving naar conservatieve aanpakken waarbij seksuele opvoeding wordt aangepakt vanuit traditionele waarden. Toch blijft nog steeds het nieuwe curriculum voorop staan waarin seksuele opvoeding bekeken wordt vanuit een meer comprehensieve benadering (Ministerio Salud Publica Ecuador, 2017). Doorheen al deze ontwikkelingen wordt de stem van de adolescenten zelf en/of die van leraren nauwelijks gehoord; zoals blijkt uit het beperkte beschikbare onderzoek. Dit bevestigt dat seksualiteit en seksuele opvoeding nog steeds een gevoelige en polemische kwestie is in de Ecuadoriaanse samenleving. Op basis van literatuuronderzoek blijkt overigens dat - om een curriculum m.b.t. seksuele opvoeding te kunnen implementeren – best het lerarenklimaat wordt bekeken (Myers-Bowman, 2016), hun intenties om dit al dan niet te onderwijzen (Cohen, Byers, & Sears, 2012); en de mate waarin rekening wordt gehouden met de opvattingen van adolescenten zelf (Allen, 2005; Helmer, Senior, Davison, & Vodic, 2015). Efnkel op die manier zou men een realistisch, effectief en gecontextualiseerd concept voor seksuele opvoeding kunnen ontwikkelen. Dit proefschrift wil een beter inzicht verwerven in de aanpak m.b.t. Comprehensive Sexuality Education (CSE) in Ecuadoraanse scholen. Daarbij wordt uitgegaan van de perspectieven van leraren en adolescenten als de sleutelfiguren die bij de effectieve implementatie ervan zijn betrokken. Meer specifiek richten we ons in het proefschrift op de manier waarop cognities van leerkrachten en student-leerkrachten hun intentie beïnvloeden om Comprehensive Sexuality Education te onderwijzen. Ten tweede kijken we naar de concrete behoeften van adolescenten m.b.t. hun seksuele opvoeding, hun percepties van het huidige curriculum voor seksuele opvoeding en hun percepties m.b.t. de professionaliteit van hun leraren rond dit onderwerp. We bandrukken dus de perspectieven van leerkrachten en studenten. Om het doel van dit proefschrift te bereiken, zijn drie onderzoeksdoelen en zes onderzoeksvragen geformuleerd die gebaseerd zijn op een uitgebreid literatuuronderzoek. Deze onderzoeksdoelstellingen zijn vervolgens aangepakt in drie afzonderlijke empirische studies. Ten eerste wilden we de samenhang bepalen tussen de cognities van student-leerkrachten en in-service leerkrachten hun hun intenties om seksuele opvoeding te onderwijzen. Dit onderzoeksdoel werd aangepakt in twee studies. De eerste studie was gebaseerd op data van studentleerkrachten, het tweede onderzoek op data van in-service leerkrachten. In beide onderzoeken werden cognities over CSE (zoals self-efficacy beliefs, attitudes en kennis) gerelateerd aan hun intentie om CSE te onderwijzen. In beide onderzoeken werden ook achtergrondvariabelen meegenomen om nog gedetailleerder de complexe samenhang tussen cognities en gedrag te ontrafelen. In dit onderzoek werd uitgegaan van een conceptueel raamwerk m.b.t. Comprehensive Sexualoty Education (CSE). Volgens het IPPF (2010), wordt CSE gedefinieerd aan de hand van zeven dimensies: geslachtsrollen, seksuele gezondheid, seksuele rechten, plezier, geweld, diversiteit en relaties. Dit raamwerk werd gebruikt om de cognities van (student)leerkrachten in kaart te brengen en hun intenties om CSE te onderwijzen (Borg, 2015). In dit proefschrift worden cognities van leerkrachten en studentleerkrachten benaderd als (Borg, 2003, p.81): "de niet-waarneembare cognitieve dimensies van lesgeven - wat leraren weten, geloven en denken". Omdat leerkrachten en student-leerkrachten actieve, denkende besluitvormers zijn, zal wat zij geloven, kennen en hun attitudes leidend zijn voor hun beslissingen bij het les geven. In de verschillende studies stonden de volgende cognities centraal: self-efficacy beliefs, attitudes en kennis gelinkt aan CSE. Deze verschillende cognities kunnen we theoretisch koppelen aan gedragsintenties door terug te valken op de Theory of Planned Behavior (TP; Ajzen, 1991). Omdat de beschikbare literatuur ook benadrukt dat leerrachten kunnen verschillen in hun bereidheid om seksuele opvoeding te implementeren, afhankelijk van hun geslacht (İpek & Camadan, 2012), hun eerdere training over dit onderwerp (Harrison & Ollis, 2015) en het vak onderwerp dat ze vooral onderwijzen (Ollis, Harrison, & Maharaj, 2013), werden deze achtergrondvariabelen meegenomen in het onderzoek. Bij in-service leerkrachten werden daaraan nog twee variabelen toegevoegd: jaren onderwijservaring en de geografische locatie van de school waar ze lesgeven (Saavedra, 2014). Op basis van de literatuur werden aangepaste schalen ontwikkeld om de cognities in kaart te brengen en informatie over de achtergrondvariabelen te verzamelen. De studie met studentleerkrachten, gerapporteerd in hoofdstuk 2, tracht de volgende onderzoeksvraag te beantwoorden: in welke mate beïnvloeden de cognities van studenten over CSE (kennis, attitudes en self-efficacy) hun intentie om Comprehensive Sexuality Education te onderwijzen? Aan deze studie namen 141 bijna afgestudeerde studentleerkrachten deel, ingeschreven aan de Faculteit Filosofie van de Universiteit van Cuenca. Op basis van lineaire regressie werd de samenhang onderzocht tussen de leerkrachtcognities (CSE self-efficacy beliefs, CSE attitudes en CSE-kennis), de achtergrondvariabelen en hun intenties om CSE te onderwijzen. De resultaten van deze studie tonen aan dat student-leerkrachten in sterke mate de intenties hebben CSE te onderwijzen, een hoge CSE self-efficacy rapporteren en zeer positief staan ten opzichte van CSE. Er werden significante associaties vastgesteld tussen de positieve houding ten opzichte van CSE, CSE self-efficacy en de intenties om CSE te onderwijzen. Er is geen samenhang met de variabele CSE-kennis, ongunstige attitudes tegenover CSE en de self-efficacy om specifieke onderwerpen aan te pakken. De resultaten tonen ook aan dat het geslacht van de leerkracht, hun eventuele vorige opleiding i.v.m. seksuele opvoeding of het vak dat ze onderwijzen, niet significant samenhangt met de intentie om CSE te onderwijzen. De studie gebaseerd op data van in-service leerkrachten, beschreven in hoofdstuk 3, hielp de volgende onderzoeksvraag te beantwoorden: In welke mate beïnvloeden cognitieve vaardigheden van leraren over CSE (kennis, attitudes en zelfeffectiviteitsovertuigingen) hun intentie om Comprehensive Sexuality te onderwijzen? Aan deze studie namen 367 leerkrachten uit 18 scholen deel. Omdat seksuele opvoeding in Ecuador beschouwd wordt als een transversaal thema (Ministerio Educacion, 2010), worden feitelijk alle leerkrachten geacht CSE te onderwijzen. Leerkrachten werden via een meerstaps-stratificatie-aanpak gesampled. Net als bij de student-leerkrachten werden lineaire regressies uitgevoerd om de associaties tussen afhankelijke en onafhankelijke variabelen te testen. De resultaten tonen significante associaties aan tussen de gunstige attitudes ten aanzien van CSE op school, CSE self-efficacy en de intenties om CSE te onderwijzen. De analyses tonen ook aan dat positieve attitudes tegenover CSE in het algemeen, een negatieve houding tegenover CSE op school, CSE self-efficacy en CSE-kennis, niet helemaal significant samenhangt met intenties om CSE te onderwijzen. Ook is het zo dat geslacht, ervaring, vroegere training m.b.t. seksualiteitsopvoeding, de aard van het schoovak dta leerkrachten geven en de geografische locatie van de school niet significant samen hangen met de intentie om CSE te onderwijzen. Zoals hierboven aangegeven, werden ook de percepties van adolescenten zelfs over seksuele opvoeding op school verkend. Om dit doel te bereiken, werd studie 3 opgezet. Deze studie hielp de concrete thematische behoeften aan seksuele opvoeding van adolescenten te identificeren, hun percepties over de seksuele opvoeding die ze op school krijgen en hun percepties over de professionaliteit van hun leraren bij het aanpakken van CSE. Opnieuw werd voor deze studie verder gewerkt met het IPPF (2010) raamwerk voor Comprehensive Sexuality Education (CSE). Daarnaast werden vier achtergrondvariabelen meegenomen in het onderzoek die op basis vane en literatuuronderzoek blijken samen te hangen met de onderzoeksvariabele: geslacht (McGeeney & Kehily, 2016; Sundaram et al., 2016), leeftijd (Goldfarb, 2005), geografische locatie van de school (rural/urban; Voeten, Egesah, & Habbema, 2004) en de migratiestatus van de ouders (Marchetti-Mercer, 2012). Een Likert-gebaseerd meetinstrument werd ontwikkeld en gevalideerd om de perspectieven van de adolescenten in kaart te brengen (hun concrete CSE-behoeften, hun tevredenheid over de seksuele opvoeding op school en hun percepties over de professionaliteit van hun leerkrachten). Het eerste deel van de resultaten bij deze studie wordt gerapporteerd in hoofdstuk 4, waar we de volgende onderzoeksvraag beantwoorden: Wat zijn de concrete behoeften van adolescenten wat betreft CSE op hun school en hoe hangt dit al dan niet samen met de variabelen geslacht, leeftijd, geografische ligging van de school en de migratiestatus van hun ouders? De zeven dimensies van Comprehensive Sexuality Education geven de mogelijke thema’s aan waarbij adolescenten concrete behoeften konden aangeven. In het totaal vulden 780 adolescenten (11 tot 19 jaar) de meetinstrumenten in. Op basis van ordinale regressieanalyses werden mogelijke verschillen in de behoeften van adolescenten onderzocht, rekening houdend met de eerder beschreven achtergrondvariabelen. De resultaten tonen aan dat alle CSE-dimensies voor de adolescenten belangrijk blijken te zijn. Er wordt een beperkte maar significante samenhang vastgesteld tussen de variabelen geslacht, migratiestatus van de ouders, leeftijd en geografische locatie van de school met het belang dat de adolescenten hechten aan elke specifieke CSE-dimensie. Deze resultaten hielpen om voor de eerste keer in de literatuur een meer gedetailleerd zicht te krijgen op wat jongeren zelf belangrijk vinden bij een Comprehensive Sexuality Education aanpak in de Ecuadoriaanse context. Het tweede deel van onderzoek 3 is gerapporteerd in hoofdstuk 5, waarin de volgende onderzoeksvragen worden beantwoord: In hoeverre zijn adolescenten tevreden over de seksuele opvoeding die zij op school krijgen (SSE)? En in welke mate vinden adolescenten dat hun leerkrachten seksuele opvoeding op een professionele manier aanpakken (SEPT)? De mogelijke associaties van SSE en SEPT met de eerder beschreven achtergrondvariabelen werden onderzocht: geslacht, leeftijd, geografische locatie van de school en de migratiestatus van de ouders. Op basis van dezelfde samplingaanpak als in studie 3, werden nu enkel data van adolescenten die rapporteerden dat ze effectief al seksuele opvoeding hadden gekregen in de analyse betrokken. Dit was het geval voor 702 adolescenten (11 tot 19 jaar). Voor dit deel van het onderzoek werd ook een Likert-gebaseerd meetinstrument ontwikkeld en gevalideerd. De resultaten tonen aan dat adolescenten zeer tevreden zijn over de seksuele opvoeding die kregen op school (SSE) en dat ze hun leerkrachten matig professioneel vinden in hun aanpak van seksuele opvoeding (SEPT). Next als in het eerste deel van de studie, werd een ordinale logistische regressieanalyse toegepast om de samenhang tussen de onafhankelijke variabelen en SSE en SEPT in kaart te brengen. De resultaten laten significante associaties zien tussen drie van de vier voorspellende variabelen en SSE en SEPT. Ten derde wilden we een mogelijke link onderzoeken tussen de percepties van leerkrachten en de percepties van hun leerlingen over CSE op school. Dit wordt onderzocht in hoofdstuk 6 op basis van de volgende onderzoeksvraag: in welke mate vinden leerkrachten en adolescenten dezelfde CSE-dimensies belangrijk bij seksuele opvoeding? Onze interesse voor deze samenhang is gebaseerd op literatuuronderzoek dat aantoont dat wanneer leraren en onderwijspraktijken meer aansluiten bij de interesses van studenten, de impact van onderwijs hoger is (Trigwell, Prosser & Waterhouse, 1999). We verwachten dus hetzelfde bij een 'afstemming' tussen de CSE-percepties van docenten en adolescenten over CSE op school in een Ecuadoriaanse context. Dit tweede onderzoeksdeel werkt verder met de data verzameld in de eerdere studies (hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4). Zo vulden 780 adolescenten en 367 leraren van dezelfde school aan elkaar gerelateerde vragenlijsten in. Uit de resultaten bleek dat de perceptie van leerkrachten over het belang van CSE, hoger is dan dat van de adolescenten; en dit voor alle CSE-dimensies. Zowel leerkrachten als adolescenten vinden de volgende CSE-dimensie “geweld” zeer belangrijk. De dimensie “rolpatronen” is zeer laag bij leerkrachten. Dit is “plezier” bij de adolescenten. Ordinale logistische regressies hielpen de mate van belangrijkheid te vergelijken tussen leerkrachten en adolescenten voor elke CSE-dimensie. De analyseresultaten tonen significante verschillen of 'dis-alignment' voor vier van de zeven CSE-dimensies: seksuele gezondheid, geweld, diversiteit en relaties. Omgekeerd is er een 'afstemming' voor de CSE-dimensies “genderrollen”, “plezier” en “seksuele rechten”. Op basis van de algemene resultaten schuiven we vier algemene reflecties naar voren. Ten eerste kunnen we stellen dat er een vrij grote adoptie is van een CSE-oriëntatie. De resultaten bevestigen ook het prioritaire belang van het aansluiten op leerkrachtcognities zoals CSE-attitudes, CSE-self-efficacy. CSE-kennis speelt daarbij in mindere mate een grote rol. Deze bevindingen zijn van belang voor een de lerarenopleiding en de voorbereiding van student-leerkrachten; niet enkel op het klasniveau, maar ook op het schoolniveau. De resultaten bevestigen ook dat leerkrachten van belang zijn voor een effectieve integratie van een op CSE-gebaseerde aanpak van seksuele opvoeding. Ten tweede is het duidelijk dat seksuele voorlichting op school voor adolescenten nog steeds een uitdaging is en een dringende noodzaak blijft is in de Ecuadoraanse context. Volgens onze resultaten geven adolescenten een hoge mate aan CSE-gebaseerde behoeften aan; zelfs wanneer ze reeds een school-gebaseerde seksuele opvoeding hebben gekregen. Overigens associëren jongeren "seksualiteitsopvoeding" op school nog steeds met een aanpak die aanleunt bij een biologische visie op seksualiteit. Dit suggereert dat zij voorlopig nog steeds benaderd worden via een beperkte visie op seksuele voorlichting en opvoeding. Dit onderstreept het belang van een verdere aanpassing van het schoolcurriculum en dat daarbij een op CSE-gebaseerde aanpak wordt gevolgd. Ten derde impliceren onze resultaten dat seksuele opvoeding rekening moet houden met de context; in casu de Ecuadoriaanse context: a) Er blijkt nog een steeds een volwassen-gecentreerde visie op de seksualiteit en seksuele opvoeding te domineren in het onderwijs. Dit 'volwassen-gecentreerde' perspectief sluit niet aan op de behoeften en verwachtingen m.b.t. seksuele opvoeding van adolescenten in Ecuador; b) de conservatieve visie over seksualiteit blijkt nog steeds een rol te spelen in de Ecuadoraanse samenleving. Die opvatting zal eerder seksuele expressies te onderdrukken en benadrukt een bio-medische visie op seksuele gezondheid, seksuele preventie en gedragsregulering. De alternatieve aanpak wint wel aan belang. Die benadrukt een positieve, comprehensieve visie op seksualiteit, en gaat uit van seksuele rechten. In dit laatste scenario zijn vooral "hele school"-benaderingen een goede optie om de nieuwe visie door te ontwikkelen; c) Er is nog steeds een vorm van genderongelijkheid in de Ecuadoraanse samenleving. Dit betekent dat meisjes ngo steeds kwetsbaarder zijn en betekent ook dat – wat betreft jongens – de huidige seksuele opvoeding te kort schiet. Blijkbaar bestendigt de huidige manier waarop seksualiteitseducatie wordt geïmplementeerd, de reeds aanwezige genderstereotypen. Dit kunnen we indirect afleiden uit de resultaten bij leerkrachten en student-leerkrachten waar we geen significante sekse-gebonden verschillen zien. Dat kan suggereren dat de huidige gendernormen als "normaal" worden beschouwd en geen diepe reflectie vereisen; d) de hoge migratiecijfers in Ecuador - 50% van de jongeren in onze steekproef heeft minstens 1 gemigreerde ouder – blijven de vraag herhalen naar extra aandacht m.b.t. seksuele opvoeding oproepen. Waar we verachtten dat er een significant verband zou bestaan tussen de migratiestatus van ouders en de behoefte aan seksuele opvoeding van adolescenten, zien we dat de analyseresultaten dit niet bevestigen. Dit roept vragen op over de rol van het klassieke 'nucleaire' gezin in Latijns-Amerika, de rol van vervangende zorgverleners en de impact van anders-geconstitueerde gezinnen door de internationale migratie. Die vragen hebben dan betrekking op seksualiteit en seksuele opvoeding van de achtergebleven kinderen. We kunnen alvast stellen dat veel van die alternatieve gezinsconstellaties toch voldoende robuust blijken en/of dat de hedendaagse migratie van ouders ander ervaren kan worden door de adolescenten; te laatste is er e) de moeilijkheid om een onderwijskundig beleid met betrekking tot seksuele opvoeding te definiëren en te implementeren in een context waar het nationale beleid nog volop in ontwikkeling is. In Ecuador vertaalt zich namelijk dit beleid inzake seksuele opvoeding niet goed naar de praktijk is de klas. Ten vierde leveren de onderzoeksresultaten een aantal ideeën op over de complexe relatie tussen seksuele voorlichting en de school; vooral omdat het aspecten van het persoonlijke privéleven van stakeholders betreft. Initiatieven m.b.t. seksuele opvoeding kunnen fricties veroorzaken met ouders en/of tegenstrijdige boodschappen naar adolescenten uitzenden. Deze situatie is verwarrend en moeilijk om aan te pakken door leraren en schooldirecties. Bovendien stellen we vast dat seksuele opvoeding minder en minder een prioriteit wordt in het schoolcurriculum, niettegenstaande het in Ecuador gezien wordt als een transversaal thema. De groeiende focus op assessment, rankings en eindtoetsing doet de aandacht verschuiven naar de kern van het curriculum: de vakinhouden. Niettegenstaande de hoge nood aan seksuele opvoeding, rapporteren diezelfde adolescenten dat de aandacht voor een CSE aanpak vermindert. De resultaten van dit proefschrift hebben implicaties op theoretisch en op beleidsniveau. Op theoretisch vlak introduceerden we met het huidige proefschrift een specifiek conceptueel kader en konden aantonen dat de CSE-gebaseerde aanpak geschikt is voor de Ecuadoriaanse context. Op beleidsniveau kunnen de resultaten van de verschillende studie beleidsmakers en onderwijsleiders informeren over de continue noodzaak om CSE beter te implementeren in curricula m.bt. seksuele opvoeding. Rekening houdend met onze bevindingen, kunnen (inter)nationale beleidsmakers en onderwijsleiders huidige initiatieven bijsturen zodat ze sterker geënt zijn op de een CSE-gebaseerde aanpak. In Ecuador tonen onze bevindingen alvast aan dat, ondanks de reeds geleverde inspanningen, de seksuele voorlichtingsbehoeften van adolescenten hoog blijven en de voorbereiding van leerkrachten op dit onderwerp beperkt is en blijft. Dit wijst op een verantwoordelijkheid van Ecuadoriaanse beleidsmakers en de opleidingsinstellingen. De resultaten wijzen ook het belang van een professionele ontwikkeling van in-service leerkrachten. Dat kan samengaan met het herontwerpen van het curriculum voor seksuele opvoedingsdidaktiek van toekomstige leraren secundair onderwijs in Ecuador. We vinden ook nieuwe inzichten terug voor beleidsmakers en onderwijsleiders wat betreft de latente impact van achtergelaten jongeren als gevolg van internationale migratie van ouders. Ten slotte pleiten we op basis van onze bevindingen voor het herbekijken van de curricula van professionals op het terrein van geneeskunde, psychologie, sociaal werk, onderwijs en recht, vooral wanneer ze in contact zouden komen met adolescenten en seksuele opvoeding. Het proefschrift draagt uiteindelijk ook bij tot huidige literatuur m.b.t. leraren, student-leerkrachten en het perspectief van adolescenten op seksuele opvoeding.
Keywords
sexuality education, student teacher, in-service teacher, comprehensive sexuality education

Downloads

  • CASTILLO JESSICA PHD THESIS.pdf
    • full text
    • |
    • open access
    • |
    • PDF
    • |
    • 2.64 MB

Citation

Please use this url to cite or link to this publication:

Chicago
Castillo Nuñez, Jéssica. 2018. “The Perspectives of Teachers and Adolescents on Sexuality Education in Ecuadorian Schools.”
APA
Castillo Nuñez, J. (2018). The perspectives of teachers and adolescents on sexuality education in Ecuadorian schools.
Vancouver
1.
Castillo Nuñez J. The perspectives of teachers and adolescents on sexuality education in Ecuadorian schools. 2018.
MLA
Castillo Nuñez, Jéssica. “The Perspectives of Teachers and Adolescents on Sexuality Education in Ecuadorian Schools.” 2018 : n. pag. Print.
@phdthesis{8573708,
  abstract     = {Nederlandse samenvatting

Wereldwijd wordt de noodzaak vastgesteld om een seksuele opvoeding aan te pakken die een seksuele en reproductieve gezondheid garandeert. Recente ontwikkelingen zorgen er voor dat seksualiteit en reproductieve rechten zijn opgenomen in internationale overeenkomsten (Chandra-Mouli et al., 2015; Fajardo-Heyward, 2016. Het garanderen van deze rechten wordt vooral benadrukt in de adolescentieperiode (Sundaram, Maxwell, Ollis, 2016). In Ecuador, een eerder Klein midden-inkomen land in Latijns-Amerika, zijn de rechten van adolescenten m.b.t. seksule opvoeding een onderdeel van het socio-politieke plan {\textacutedbl}Bon Viver{\textquotedblright} (een goed leven) dat ook is vastgelegd in de nieuwste Ecuadoraanse grondwet van 2008, artikel N. 26. (Asamblea Constituyente, 2008) en geratificeerd werd in de regeringsperiode 2013-2017 (Senplades, 2013). Dit plan is een noodzaak omdat de beschikbare indicatoren m.b.t. seksuele en reproductieve gezondheid in Ecuador weinig bemoedigend zijn. In 2010 rapporteerde Ecuador het hoogste percentages tienerzwangerschappen van Zuid-Amerika (Garc{\'i}a, Gonz{\'a}les, Forero, \& Buitrago, 2010). Het percentage tienerzwangerschappen steeg -- in 2010 - met 78\% bij meisjes tussen 10 en 14 jaar oud (Gomez de la Torre, 2016). Naast tienerzwangerschappen kent deze groep ook een hoog niveau van gendergeweld (INEC, 2010). Deze kritieke situatie staat central in het nationaal plan {\textacutedbl}Bin Viver{\textacutedbl} 2013-2017, waarin gesteld wordt: {\textacutedbl}Tegen 2030, wordt wat betreft tienerzwangerschappen een vermindering met 15\% vooropgesteld bij meisjes van 15 tot 19 jaar en dit via ge{\"i}ntegreerde programma's voor seksuele opvoeding{\textacutedbl} (Senplades, 2013, blz. 39).

Bij het implementeren van wetgeving met betrekking tot seksuele vorming speelt het nationale onderwijssysteem een sleutelrol (Bay-Cheng, 2003, Thomas \& Aggleton, 2016). Een integratie van seksuele voorlichting in het onderwijssysteem houdt echter in dat problemen op school- en klasniveau worden aangepakt. In Latijns-Amerikaanse landen kenmerkt seksuele opvoeding sich nog steeds door een biologische benadering met een nadruk op onderdrukking van seksualiteit en het overdragen van negatieve opvattingen over seksueel gedrag. Dat is vreemd gezien het onderwijs-juridische kader dat voorziet in schoolse seksuele opvoeding die overeenstemt met een mensenrechtenbenadering (Darr{\'e}, Jerves, Castillo, \& Enzlin, 2015). Maar de werkelijkheid verschilt van deze juridische realiteit. In Ecuador is de invulling van het offici{\"e}le curriculum voor seksuele opvoeding -- in overeenstemming met het plan {\textacutedbl}Bon viver{\textacutedbl} -- maar gradueel verschoven van een biologische benadering naar een meer omvattende en op mensenrechten gebaseerde aanpak. Maar sinds 2015 kent datzelfde curriculum weer een drastische kentering en een verschuiving naar conservatieve aanpakken waarbij seksuele opvoeding wordt aangepakt vanuit traditionele waarden. Toch blijft nog steeds het nieuwe curriculum voorop staan waarin seksuele opvoeding bekeken wordt vanuit een meer comprehensieve benadering (Ministerio Salud Publica Ecuador, 2017). Doorheen al deze ontwikkelingen wordt de stem van de adolescenten zelf en/of die van leraren nauwelijks gehoord; zoals blijkt uit het beperkte beschikbare onderzoek. Dit bevestigt dat seksualiteit en seksuele opvoeding nog steeds een gevoelige en polemische kwestie is in de Ecuadoriaanse samenleving. Op basis van literatuuronderzoek blijkt overigens dat - om een curriculum m.b.t. seksuele opvoeding te kunnen implementeren -- best het lerarenklimaat wordt bekeken (Myers-Bowman, 2016), hun intenties om dit al dan niet te onderwijzen (Cohen, Byers, \& Sears, 2012); en de mate waarin rekening wordt gehouden met de opvattingen van adolescenten zelf (Allen, 2005; Helmer, Senior, Davison, \& Vodic, 2015). Efnkel op die manier zou men een realistisch, effectief en gecontextualiseerd concept voor seksuele opvoeding kunnen ontwikkelen.

Dit proefschrift wil een beter inzicht verwerven in de aanpak m.b.t. Comprehensive Sexuality Education (CSE) in Ecuadoraanse scholen. Daarbij wordt uitgegaan van de perspectieven van leraren en adolescenten als de sleutelfiguren die bij de effectieve implementatie ervan zijn betrokken. Meer specifiek richten we ons in het proefschrift op de manier waarop cognities van leerkrachten en student-leerkrachten hun intentie be{\"i}nvloeden om Comprehensive Sexuality Education te onderwijzen. Ten tweede kijken we naar de concrete behoeften van adolescenten m.b.t. hun seksuele opvoeding, hun percepties van het huidige curriculum voor seksuele opvoeding en hun percepties m.b.t. de professionaliteit van hun leraren rond dit onderwerp. We bandrukken dus de perspectieven van leerkrachten en studenten. Om het doel van dit proefschrift te bereiken, zijn drie onderzoeksdoelen en zes onderzoeksvragen geformuleerd die gebaseerd zijn op een uitgebreid literatuuronderzoek. Deze onderzoeksdoelstellingen zijn vervolgens aangepakt in drie afzonderlijke empirische studies.

Ten eerste wilden we de samenhang bepalen tussen de cognities van student-leerkrachten en in-service leerkrachten hun hun intenties om seksuele opvoeding te onderwijzen. Dit onderzoeksdoel werd aangepakt in twee studies. De eerste studie was gebaseerd op data van studentleerkrachten, het tweede onderzoek op data van in-service leerkrachten. In beide onderzoeken werden cognities over CSE (zoals self-efficacy beliefs, attitudes en kennis) gerelateerd aan hun intentie om CSE te onderwijzen. In beide onderzoeken werden ook achtergrondvariabelen meegenomen om nog gedetailleerder de complexe samenhang tussen cognities en gedrag te ontrafelen. 
In dit onderzoek werd uitgegaan van een conceptueel raamwerk m.b.t. Comprehensive Sexualoty Education (CSE). Volgens het IPPF (2010), wordt CSE gedefinieerd aan de hand van zeven dimensies: geslachtsrollen, seksuele gezondheid, seksuele rechten, plezier, geweld, diversiteit en relaties. Dit raamwerk werd gebruikt om de cognities van (student)leerkrachten in kaart te brengen en hun intenties om CSE te onderwijzen (Borg, 2015). In dit proefschrift worden cognities van leerkrachten en studentleerkrachten benaderd als (Borg, 2003, p.81): {\textacutedbl}de niet-waarneembare cognitieve dimensies van lesgeven - wat leraren weten, geloven en denken{\textacutedbl}. Omdat leerkrachten en student-leerkrachten actieve, denkende besluitvormers zijn, zal wat zij geloven, kennen en hun attitudes leidend zijn voor hun beslissingen bij het les geven. In de verschillende studies stonden de volgende cognities centraal: self-efficacy beliefs, attitudes en kennis gelinkt aan CSE. Deze verschillende cognities kunnen we theoretisch koppelen aan gedragsintenties door terug te valken op de Theory of Planned Behavior (TP; Ajzen, 1991). Omdat de beschikbare literatuur ook benadrukt dat leerrachten kunnen verschillen in hun bereidheid om seksuele opvoeding te implementeren, afhankelijk van hun geslacht (\.{I}pek \& Camadan, 2012), hun eerdere training over dit onderwerp (Harrison \& Ollis, 2015) en het vak onderwerp dat ze vooral onderwijzen (Ollis, Harrison, \& Maharaj, 2013), werden deze achtergrondvariabelen meegenomen in het onderzoek. Bij in-service leerkrachten werden daaraan nog twee variabelen toegevoegd: jaren onderwijservaring en de geografische locatie van de school waar ze lesgeven (Saavedra, 2014). Op basis van de literatuur werden aangepaste schalen ontwikkeld om de cognities in kaart te brengen en informatie over de achtergrondvariabelen te verzamelen.

De studie met studentleerkrachten, gerapporteerd in hoofdstuk 2, tracht de volgende onderzoeksvraag te beantwoorden: in welke mate be{\"i}nvloeden de cognities van studenten over CSE (kennis, attitudes en self-efficacy) hun intentie om Comprehensive Sexuality Education te onderwijzen? Aan deze studie namen 141 bijna afgestudeerde studentleerkrachten deel, ingeschreven aan de Faculteit Filosofie van de Universiteit van Cuenca. Op basis van lineaire regressie werd de samenhang onderzocht tussen de leerkrachtcognities (CSE self-efficacy beliefs, CSE attitudes en CSE-kennis), de achtergrondvariabelen en hun intenties om CSE te onderwijzen.

De resultaten van deze studie tonen aan dat student-leerkrachten in sterke mate de intenties hebben CSE te onderwijzen, een hoge CSE self-efficacy rapporteren en zeer positief staan ten opzichte van CSE. Er werden significante associaties vastgesteld tussen de positieve houding ten opzichte van CSE, CSE self-efficacy en de intenties om CSE te onderwijzen. Er is geen samenhang met de variabele CSE-kennis, ongunstige attitudes tegenover CSE en de self-efficacy om specifieke onderwerpen aan te pakken. De resultaten tonen ook aan dat het geslacht van de leerkracht, hun eventuele vorige opleiding i.v.m. seksuele opvoeding of het vak dat ze onderwijzen, niet significant samenhangt met de intentie om CSE te onderwijzen.

De studie gebaseerd op data van in-service leerkrachten, beschreven in hoofdstuk 3, hielp de volgende onderzoeksvraag te beantwoorden: In welke mate be{\"i}nvloeden cognitieve vaardigheden van leraren over CSE (kennis, attitudes en zelfeffectiviteitsovertuigingen) hun intentie om Comprehensive Sexuality te onderwijzen? Aan deze studie namen 367 leerkrachten uit 18 scholen deel. Omdat seksuele opvoeding in Ecuador beschouwd wordt als een transversaal thema (Ministerio Educacion, 2010), worden feitelijk alle leerkrachten geacht CSE te onderwijzen. Leerkrachten werden via een meerstaps-stratificatie-aanpak gesampled. Net als bij de student-leerkrachten werden lineaire regressies uitgevoerd om de associaties tussen afhankelijke en onafhankelijke variabelen te testen. De resultaten tonen significante associaties aan tussen de gunstige attitudes ten aanzien van CSE op school, CSE self-efficacy en de intenties om CSE te onderwijzen. De analyses tonen ook aan dat positieve attitudes tegenover CSE in het algemeen, een negatieve houding tegenover CSE op school, CSE self-efficacy en CSE-kennis, niet helemaal significant samenhangt met intenties om CSE te onderwijzen. Ook is het zo dat geslacht, ervaring, vroegere training m.b.t. seksualiteitsopvoeding, de aard van het schoovak dta leerkrachten geven en de geografische locatie van de school niet significant samen hangen met de intentie om CSE te onderwijzen.

Zoals hierboven aangegeven, werden ook de percepties van adolescenten zelfs over seksuele opvoeding op school verkend. Om dit doel te bereiken, werd studie 3 opgezet. Deze studie hielp de concrete thematische behoeften aan seksuele opvoeding  van adolescenten te identificeren, hun percepties over de seksuele opvoeding die ze op school krijgen en hun percepties over de professionaliteit van hun leraren bij het aanpakken van CSE. Opnieuw werd voor deze studie verder gewerkt met het IPPF (2010) raamwerk voor Comprehensive Sexuality Education (CSE). Daarnaast werden vier achtergrondvariabelen meegenomen in het onderzoek die op basis vane en literatuuronderzoek blijken samen te hangen met de onderzoeksvariabele: geslacht (McGeeney \& Kehily, 2016; Sundaram et al., 2016), leeftijd (Goldfarb, 2005), geografische locatie van de school (rural/urban; Voeten, Egesah, \& Habbema, 2004) en de migratiestatus van de ouders (Marchetti-Mercer, 2012). Een Likert-gebaseerd meetinstrument werd ontwikkeld en gevalideerd om de perspectieven van de adolescenten in kaart te brengen (hun concrete CSE-behoeften, hun tevredenheid over de seksuele opvoeding op school en hun percepties over de professionaliteit van hun leerkrachten).

Het eerste deel van de resultaten bij deze studie wordt gerapporteerd in hoofdstuk 4, waar we de volgende onderzoeksvraag beantwoorden: Wat zijn de concrete behoeften van adolescenten wat betreft CSE op hun school en hoe hangt dit al dan niet samen met de variabelen geslacht, leeftijd, geografische ligging van de school en de migratiestatus van hun ouders?  De zeven dimensies van Comprehensive Sexuality Education geven de mogelijke thema{\textquoteright}s aan waarbij adolescenten concrete behoeften konden aangeven. In het totaal vulden 780 adolescenten (11 tot 19 jaar) de meetinstrumenten in. Op basis van ordinale regressieanalyses werden mogelijke verschillen in de behoeften van adolescenten onderzocht, rekening houdend met de eerder beschreven achtergrondvariabelen. De resultaten tonen aan dat alle CSE-dimensies voor de adolescenten belangrijk blijken te zijn. Er wordt een beperkte maar significante samenhang vastgesteld tussen de variabelen geslacht, migratiestatus van de ouders, leeftijd en geografische locatie van de school met het belang dat de adolescenten hechten aan elke specifieke CSE-dimensie. Deze resultaten hielpen om voor de eerste keer in de literatuur een meer gedetailleerd zicht te krijgen op wat jongeren zelf belangrijk vinden bij een Comprehensive Sexuality Education aanpak in de Ecuadoriaanse context.

Het tweede deel van onderzoek 3 is gerapporteerd in hoofdstuk 5, waarin de volgende onderzoeksvragen worden beantwoord: In hoeverre zijn adolescenten tevreden over de seksuele opvoeding die zij op school krijgen (SSE)? En in welke mate vinden adolescenten dat hun leerkrachten seksuele opvoeding op een professionele manier aanpakken (SEPT)? De mogelijke associaties van SSE en SEPT met de eerder beschreven achtergrondvariabelen werden onderzocht: geslacht, leeftijd, geografische locatie van de school en de migratiestatus van de ouders. Op basis van dezelfde samplingaanpak als in studie 3, werden nu enkel data van adolescenten die rapporteerden dat ze effectief al seksuele opvoeding hadden gekregen in de analyse betrokken. Dit was het geval voor 702 adolescenten (11 tot 19 jaar). Voor dit deel van het onderzoek werd ook een Likert-gebaseerd meetinstrument ontwikkeld en gevalideerd. De resultaten tonen aan dat adolescenten zeer tevreden zijn over de seksuele opvoeding die kregen op school (SSE) en dat ze hun leerkrachten matig professioneel vinden in hun aanpak van seksuele opvoeding (SEPT). Next als in het eerste deel van de studie, werd een ordinale logistische regressieanalyse toegepast om de samenhang tussen de onafhankelijke variabelen en SSE en SEPT in kaart te brengen. De resultaten laten significante associaties zien tussen drie van de vier voorspellende variabelen en SSE en SEPT.

Ten derde wilden we een mogelijke link onderzoeken tussen de percepties van leerkrachten en de percepties van hun leerlingen over CSE op school. Dit wordt onderzocht in hoofdstuk 6 op basis van de volgende onderzoeksvraag: in welke mate vinden leerkrachten en adolescenten dezelfde CSE-dimensies belangrijk bij seksuele opvoeding? Onze interesse voor deze samenhang is gebaseerd op literatuuronderzoek dat aantoont dat wanneer leraren en onderwijspraktijken meer aansluiten bij de interesses van studenten, de impact van onderwijs hoger is (Trigwell, Prosser \& Waterhouse, 1999). We verwachten dus hetzelfde bij een 'afstemming' tussen de CSE-percepties van docenten en adolescenten over CSE op school in een Ecuadoriaanse context. Dit tweede onderzoeksdeel werkt verder met de data verzameld in de eerdere studies (hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4). Zo vulden 780 adolescenten en 367 leraren van dezelfde school aan elkaar gerelateerde vragenlijsten in. Uit de resultaten bleek dat de perceptie van leerkrachten over het belang van CSE, hoger is dan dat van de adolescenten; en dit voor alle CSE-dimensies. Zowel leerkrachten als adolescenten vinden de volgende CSE-dimensie {\textquotedblleft}geweld{\textquotedblright} zeer belangrijk. De dimensie {\textquotedblleft}rolpatronen{\textquotedblright} is zeer laag bij leerkrachten. Dit is {\textquotedblleft}plezier{\textquotedblright} bij de adolescenten. Ordinale logistische regressies hielpen de mate van belangrijkheid te vergelijken tussen leerkrachten en adolescenten voor elke CSE-dimensie. De analyseresultaten tonen significante verschillen of 'dis-alignment' voor vier van de zeven CSE-dimensies: seksuele gezondheid, geweld, diversiteit en relaties. Omgekeerd is er een 'afstemming' voor de CSE-dimensies {\textquotedblleft}genderrollen{\textquotedblright}, {\textquotedblleft}plezier{\textquotedblright} en {\textquotedblleft}seksuele rechten{\textquotedblright}.

Op basis van de algemene resultaten schuiven we vier algemene reflecties naar voren. Ten eerste kunnen we stellen dat er een vrij grote adoptie is van een CSE-ori{\"e}ntatie. De resultaten bevestigen ook het prioritaire belang van het aansluiten op leerkrachtcognities zoals CSE-attitudes, CSE-self-efficacy. CSE-kennis speelt daarbij in mindere mate een grote rol. Deze bevindingen zijn van belang voor een de lerarenopleiding en de voorbereiding van student-leerkrachten; niet enkel op het klasniveau, maar ook op het schoolniveau. De resultaten bevestigen ook dat leerkrachten van belang zijn voor een effectieve integratie van een op CSE-gebaseerde aanpak van seksuele opvoeding.

Ten tweede is het duidelijk dat seksuele voorlichting op school voor adolescenten nog steeds een uitdaging is en een dringende noodzaak blijft is in de Ecuadoraanse context. Volgens onze resultaten geven adolescenten een hoge mate aan CSE-gebaseerde behoeften aan; zelfs wanneer ze reeds een school-gebaseerde seksuele opvoeding hebben gekregen. Overigens associ{\"e}ren jongeren {\textacutedbl}seksualiteitsopvoeding{\textacutedbl} op school nog steeds met een aanpak die aanleunt bij een biologische visie op seksualiteit. Dit suggereert dat zij voorlopig nog steeds benaderd worden via een beperkte visie op seksuele voorlichting en opvoeding. Dit onderstreept het belang van een verdere aanpassing van het schoolcurriculum en dat daarbij een op CSE-gebaseerde aanpak wordt gevolgd.

Ten derde impliceren onze resultaten dat seksuele opvoeding rekening moet houden met de context; in casu de Ecuadoriaanse context: a) Er blijkt nog een steeds een volwassen-gecentreerde visie op de seksualiteit en seksuele opvoeding te domineren in het onderwijs. Dit 'volwassen-gecentreerde' perspectief sluit niet aan op de behoeften en verwachtingen m.b.t. seksuele opvoeding van adolescenten in Ecuador; b) de conservatieve visie over seksualiteit blijkt nog steeds een rol te spelen in de Ecuadoraanse samenleving. Die opvatting zal eerder seksuele expressies te onderdrukken en benadrukt een bio-medische visie op seksuele gezondheid, seksuele preventie en gedragsregulering. De alternatieve aanpak wint wel aan belang. Die benadrukt een positieve, comprehensieve visie op seksualiteit, en gaat uit van seksuele rechten. In dit laatste scenario zijn vooral {\textacutedbl}hele school{\textacutedbl}-benaderingen een goede optie om de nieuwe visie door te ontwikkelen; c) Er is nog steeds een vorm van genderongelijkheid in de Ecuadoraanse samenleving. Dit betekent dat meisjes ngo steeds kwetsbaarder zijn en betekent ook dat -- wat betreft jongens -- de huidige seksuele opvoeding te kort schiet. Blijkbaar bestendigt de huidige manier waarop seksualiteitseducatie wordt ge{\"i}mplementeerd, de reeds aanwezige genderstereotypen. Dit kunnen we indirect afleiden uit de resultaten bij leerkrachten en student-leerkrachten waar we geen significante sekse-gebonden verschillen zien. Dat kan suggereren dat de huidige gendernormen als {\textacutedbl}normaal{\textacutedbl} worden beschouwd en geen diepe reflectie vereisen; d) de hoge migratiecijfers in Ecuador - 50\% van de jongeren in onze steekproef heeft minstens 1 gemigreerde ouder -- blijven de vraag herhalen naar extra aandacht m.b.t. seksuele opvoeding oproepen. Waar we verachtten dat er een significant verband zou bestaan tussen de migratiestatus van ouders en de behoefte aan seksuele opvoeding van adolescenten, zien we dat de analyseresultaten dit niet bevestigen. Dit roept vragen op over de rol van het klassieke 'nucleaire' gezin in Latijns-Amerika, de rol van vervangende zorgverleners en de impact van anders-geconstitueerde gezinnen door de internationale migratie. Die vragen hebben dan betrekking op seksualiteit en seksuele opvoeding van de achtergebleven kinderen. We kunnen alvast stellen dat veel van die alternatieve gezinsconstellaties toch voldoende robuust blijken en/of dat de hedendaagse migratie van ouders ander ervaren kan worden door de adolescenten; te laatste is er e) de moeilijkheid om een onderwijskundig beleid met betrekking tot seksuele opvoeding te defini{\"e}ren en te implementeren in een context waar het nationale beleid nog volop in ontwikkeling is. In Ecuador vertaalt zich namelijk dit beleid inzake seksuele opvoeding niet goed naar de praktijk is de klas.

Ten vierde leveren de onderzoeksresultaten een aantal idee{\"e}n op over de complexe relatie tussen seksuele voorlichting en de school; vooral omdat het aspecten van het persoonlijke priv{\'e}leven van stakeholders betreft. Initiatieven m.b.t. seksuele opvoeding kunnen fricties veroorzaken met ouders en/of tegenstrijdige boodschappen naar adolescenten uitzenden. Deze situatie is verwarrend en moeilijk om aan te pakken door leraren en schooldirecties. Bovendien stellen we vast dat seksuele opvoeding minder en minder een prioriteit wordt in het schoolcurriculum, niettegenstaande het in Ecuador gezien wordt als een transversaal thema. De groeiende focus op assessment, rankings en eindtoetsing doet de aandacht verschuiven naar de kern van het curriculum: de vakinhouden. Niettegenstaande de hoge nood aan seksuele opvoeding, rapporteren diezelfde adolescenten dat de aandacht voor een CSE aanpak vermindert.

De resultaten van dit proefschrift hebben implicaties op theoretisch en op beleidsniveau. Op theoretisch vlak introduceerden we met het huidige proefschrift een specifiek conceptueel kader en konden aantonen dat de CSE-gebaseerde aanpak geschikt is voor de Ecuadoriaanse context. Op beleidsniveau kunnen de resultaten van de verschillende studie beleidsmakers en onderwijsleiders informeren over de continue noodzaak om CSE beter te implementeren in curricula m.bt. seksuele opvoeding. Rekening houdend met onze bevindingen, kunnen (inter)nationale beleidsmakers en onderwijsleiders huidige initiatieven bijsturen zodat ze sterker ge{\"e}nt zijn op de een CSE-gebaseerde aanpak. In Ecuador tonen onze bevindingen alvast aan dat, ondanks de reeds geleverde inspanningen, de seksuele voorlichtingsbehoeften van adolescenten hoog blijven en de voorbereiding van leerkrachten op dit onderwerp beperkt is en blijft. Dit wijst op een verantwoordelijkheid van Ecuadoriaanse beleidsmakers en de opleidingsinstellingen. De resultaten wijzen ook het belang van een professionele ontwikkeling van in-service leerkrachten. Dat kan samengaan met het herontwerpen van het curriculum voor seksuele opvoedingsdidaktiek van toekomstige leraren secundair onderwijs in Ecuador. 
We vinden ook nieuwe inzichten terug voor beleidsmakers en onderwijsleiders wat betreft de latente impact van achtergelaten jongeren als gevolg van internationale migratie van ouders. Ten slotte pleiten we op basis van onze bevindingen voor het herbekijken van de curricula van professionals op het terrein van geneeskunde, psychologie, sociaal werk, onderwijs en recht, vooral wanneer ze in contact zouden komen met adolescenten en seksuele opvoeding. Het proefschrift draagt uiteindelijk ook bij tot huidige literatuur m.b.t. leraren, student-leerkrachten en het perspectief van adolescenten op seksuele opvoeding.
},
  author       = {Castillo N{\'u}{\~n}ez, J{\'e}ssica},
  keyword      = {sexuality education,student teacher,in-service teacher,comprehensive sexuality education},
  school       = {Ghent University},
  title        = {The perspectives of teachers and adolescents on sexuality education in Ecuadorian schools},
  year         = {2018},
}