Ghent University Academic Bibliography

Advanced

Liberale hommes-orchestres en de sociale kwestie in de negentiende eeuw: tussen lokaal en internationaal

Carmen Van Praet (2015)
abstract
De negentiende eeuw wordt in de historiografie beschouwd als de eeuw van de industrialisering, van de urbanisering en van het moralisme. De maatschappij veranderde van een agrarische naar een industriële samenleving en deze veranderingen brachten vooral in de steden een heleboel problemen met zich mee die door de elites werden omschreven met het containerbegrip van de sociale kwestie. De sociale kwestie had vele gezichten, gaande van prostitutie, drankmisbruik, sloppenwijken en verkrotting, epidemieën, ongezonde voeding, luchtverontreiniging, tot ongezonde en gevaarlijke arbeidsomstandigheden en werkloosheid. Maar ook de angst voor fysieke degeneratie, zedelijk verval, criminaliteit, krankzinnigheid en losbandigheid werden beschouwd als deelaspecten van de sociale kwestie. De sociale kwestie was bovenal een emotionele en normatieve vertaling van een bepaalde sociale situatie. Het was de omschrijving van een specifieke toestand in de woorden en op een niveau waarin een intellectuele middenklasse gewoon was te lezen, te spreken en te communiceren. Kortom, de sociale kwestie was niet de sociale situatie an sich, maar de perceptie en framing ervan door zij die het fenomeen beschreven. De negentiende-eeuwse discussies, reflecties, onderzoeken, enquêtes, experimenten, monologen, conferenties, beraadslagingen, overlegmomenten en gedachtewisselingen over de sociale kwestie, vormden het vertrekpunt van deze studie. De hoofdrolspelers van het onderzoek waren liberale hommes-orchestres. De Belgische geschiedschrijving over de negentiende-eeuwse politiek focust nadrukkelijk op de levensbeschouwelijke breuk tussen klerikalen en liberalen, met als geliefkoosd hoogtepunt de Schoolstrijd (1878-1884). Maar niet alleen de klerikale-antiklerikale tweedeling overheerste de negentiende-eeuwse lokale en nationale politiek. Intern waren de twee blokken ook zwaar verdeeld rond sociaal-economische thema’s. Ik onderzocht figuren die kunnen gecategoriseerd worden als sociaal-liberalen, een groep personen die tot nog toe niet vaak bestudeerd werd. Het amalgaan van sociaal liberalen stond steeds in de schaduw van de meer conservatieve groep die de politieke macht in handen had en die haar afgevaardigden naar de Kamer en de Senaat stuurde. Ik koos ervoor om deze groep te categoriseren als hommes-orchestres, omdat deze term aansloot bij hun leefwereld en hun profiel. Het waren namelijk allen figuren uit hogere “burgerlijke” milieus wat in het België van toen quasi zonder uitzondering betekende dat ze Franstalig waren. Ze waren ook, naar de letterlijke vertaling van het woord, duizendpoten die zich bezighielden met diverse sociale thema’s, allrounders met kennis van zaken die bovendien de samenleving wilden “orkestreren”. De periode die centraal stond in mijn onderzoek was de periode voor 1884, dus een periode waarin er nog geen sociale wetgeving bestond, al hield dat niet in dat er niet over sociale interventies werd nagedacht. Bovendien focuste ik me niet alleen op de nationale schaal, maar nam ik vooral internationale congressen als uitgangspunt van deze studie en onderzocht ik hoe lokale projecten tijdens deze bijeenkomsten werden voorgesteld als modelprojecten. In deze studie staan de negentiende-eeuwse internationale congressen centraal als kruispunten waar actoren uit verschillende naties elkaar letterlijk ontmoetten en waar ze elkaar ongetwijfeld ook hebben beïnvloed, zowel vanuit de idee om te leren van elkaar als vanuit een soort rivaliteit. In deze studie werd het concept van histoire croisée ingezet als een handig analyse-instrument om waar nodig – i.e. waar het onderzoeksobject dat zelf deed – de link te leggen met andere regio’s en landen, en om na te gaan hoe personen, objecten of ideeën zich aanpasten in geval van contact. De studie werd in drie thematische delen onderverdeeld. Elk thema was een rechtstreekse afspiegeling van een bepaald “maatschappelijk probleem” en de “burgerlijke oplossing” voor dit probleem: (a) hygiëne, huisvestingsproblemen en modelwijken, (b) armoede, sparen en volksbanken, (c) degeneratie en onderwijs. Deze studie bestaat dus uit drie thematische delen die elk op zich worden onderverdeeld in drie delen: (1) diagnose, (2) oplossingen en (3) reflectie. In deze studie bestudeerde ik de impact van de verspreiding van de Franse arbeiderswijk van Mulhouse, van de Duitse volksbanken van Schulze-Delitzsch en van het Nederlandse model van de Maatschappij Tot Nut van’t Algemeen. Maar ook Belgische projecten zoals Laurents schoolsparen en Buls’ Ligue de l’enseignement kregen internationale weerklank en fungeerden als “deugdzame” internationale modellen. Ik kwam tot vier grote conclusies: (1) De hommes-orchestres vormden nooit een strak afgebakende groep, maar er tekenden zich wel drie “types” af: professionals, lokale brokers en politieke hervormers. (2) De hommes-orchestres hadden een gemeenschappelijke ideologie: gebaseerd op de formulering van de sociale kwestie en de aangereikte oplossing van een maatschappij waarin drie elementen voorop stonden: zelfhulpprincipe, samenwerking tussen kapitaal en arbeid en een ondersteunende rol van de overheid. Door de uitbouw van coöperatieve verenigingen streefde men naar een harmonieuze samenleving met “deugdzame en gezonde burgers” die zich meester hadden gemaakt van de “juiste” liberale waarden: spaarzaamheid, zelfredzaamheid, zelfstandigheid, vooruitziendheid, orde, netheid, zelfbeheersing, laïcisme, bekwaamheid, tolerantie, vrijheid van meningsuiting, rechtvaardigheid en werkijver. (3) De geschiedenis van de hommes-orchestres was wel degelijk een histoire croisée. Hun wapens in de sociale strijd waren op één of andere manier met elkaar vervlochten. In de zoektocht naar een oplossing voor de sociale kwestie verbonden de hommes-orchestres verschillende ruimtelijke schalen – lokaal, nationaal, internationaal – met elkaar. Het waren zij die als individuen een link smeedden tussen de internationale fora en de lokale experimenten. De internationale bijeenkomsten waren podia voor maatschappelijke vernieuwingen, broedplaatsen voor sociale ideeën. (4) Er gaapte een diepe kloof tussen de negentiende-eeuwse werkelijkheid en het discours van de hommes-orchestres. In woord waren de projecten wel gericht op de volledige “arbeidersklasse”, maar in de realiteit richtten de hommes-orchestres zich vooral op de belangen van een toplaag van de arbeiders. Terwijl men in de periode 1846-1886 vooral verenigingen oprichtte voor de arbeiders, zette men pas op het einde van de negentiende eeuw in op verenigingen door de arbeiders. Het feit dat er geen rechtstreekse erfgenamen van de hommes-orchestres aanwezig zijn in ons huidig versplinterd politiek landschap, doet niets af aan de symbolische rol die ze in de negentiende eeuw hebben gespeeld bij de modernisering en humanisering van het maatschappelijk denken.
Please use this url to cite or link to this publication:
author
promoter
UGent and UGent
organization
year
type
dissertation
publication status
published
subject
pages
423 pages
publisher
Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte
place of publication
Gent
defense location
Gent : Liberaal Archief (Kramersplein 23)
defense date
2015-09-17 16:00
language
Dutch
UGent publication?
yes
classification
D1
copyright statement
I have retained and own the full copyright for this publication
id
6897917
handle
http://hdl.handle.net/1854/LU-6897917
date created
2015-08-10 11:41:25
date last changed
2017-01-16 10:49:18
@phdthesis{6897917,
  abstract     = {De negentiende eeuw wordt in de historiografie beschouwd als de eeuw van de industrialisering, van de urbanisering en van het moralisme. De maatschappij veranderde van een agrarische naar een industri{\"e}le samenleving en deze veranderingen brachten vooral in de steden een heleboel problemen met zich mee die door de elites werden omschreven met het containerbegrip van de sociale kwestie. De sociale kwestie had vele gezichten, gaande van prostitutie, drankmisbruik, sloppenwijken en verkrotting, epidemie{\"e}n, ongezonde voeding, luchtverontreiniging, tot ongezonde en gevaarlijke arbeidsomstandigheden en werkloosheid. Maar ook de angst voor fysieke degeneratie, zedelijk verval, criminaliteit, krankzinnigheid en losbandigheid werden beschouwd als deelaspecten van de sociale kwestie. De sociale kwestie was bovenal een emotionele en normatieve vertaling van een bepaalde sociale situatie. Het was de omschrijving van een specifieke toestand in de woorden en op een niveau waarin een intellectuele middenklasse gewoon was te lezen, te spreken en te communiceren. Kortom, de sociale kwestie was niet de sociale situatie an sich, maar de perceptie en framing ervan door zij die het fenomeen beschreven. De negentiende-eeuwse discussies, reflecties, onderzoeken, enqu{\^e}tes, experimenten, monologen, conferenties, beraadslagingen, overlegmomenten en gedachtewisselingen over de sociale kwestie, vormden het vertrekpunt van deze studie.
De hoofdrolspelers van het onderzoek waren liberale hommes-orchestres. De Belgische geschiedschrijving over de negentiende-eeuwse politiek focust nadrukkelijk op de levensbeschouwelijke breuk tussen klerikalen en liberalen, met als geliefkoosd hoogtepunt de Schoolstrijd (1878-1884). Maar niet alleen de klerikale-antiklerikale tweedeling overheerste de negentiende-eeuwse lokale en nationale politiek. Intern waren de twee blokken ook zwaar verdeeld rond sociaal-economische thema{\textquoteright}s. Ik onderzocht figuren die kunnen gecategoriseerd worden als sociaal-liberalen, een groep personen die tot nog toe niet vaak bestudeerd werd. Het amalgaan van sociaal liberalen stond steeds in de schaduw van de meer conservatieve groep die de politieke macht in handen had en die haar afgevaardigden naar de Kamer en de Senaat stuurde. Ik koos ervoor om deze groep te categoriseren als hommes-orchestres, omdat deze term aansloot bij hun leefwereld en hun profiel. Het waren namelijk allen figuren uit hogere {\textquotedblleft}burgerlijke{\textquotedblright} milieus wat in het Belgi{\"e} van toen quasi zonder uitzondering betekende dat ze Franstalig waren. Ze waren ook, naar de letterlijke vertaling van het woord, duizendpoten die zich bezighielden met diverse sociale thema{\textquoteright}s, allrounders met kennis van zaken die bovendien de samenleving wilden {\textquotedblleft}orkestreren{\textquotedblright}.
De periode die centraal stond in mijn onderzoek was de periode voor 1884, dus een periode waarin er nog geen sociale wetgeving bestond, al hield dat niet in dat er niet over sociale interventies werd nagedacht. Bovendien focuste ik me niet alleen op de nationale schaal, maar nam ik vooral internationale congressen als uitgangspunt van deze studie en onderzocht ik hoe lokale projecten tijdens deze bijeenkomsten werden voorgesteld als modelprojecten. In deze studie staan de negentiende-eeuwse internationale congressen centraal als kruispunten waar actoren uit verschillende naties elkaar letterlijk ontmoetten en waar ze elkaar ongetwijfeld ook hebben be{\"i}nvloed, zowel vanuit de idee om te leren van elkaar als vanuit een soort rivaliteit. In deze studie werd het concept van histoire crois{\'e}e ingezet als een handig analyse-instrument om waar nodig -- i.e. waar het onderzoeksobject dat zelf deed -- de link te leggen met andere regio{\textquoteright}s en landen, en om na te gaan hoe personen, objecten of idee{\"e}n zich aanpasten in geval van contact. De studie werd in drie thematische delen onderverdeeld. Elk thema was een rechtstreekse afspiegeling van een bepaald {\textquotedblleft}maatschappelijk probleem{\textquotedblright} en de {\textquotedblleft}burgerlijke oplossing{\textquotedblright} voor dit probleem: (a) hygi{\"e}ne, huisvestingsproblemen en modelwijken, (b) armoede, sparen en volksbanken, (c) degeneratie en onderwijs. Deze studie bestaat dus uit drie thematische delen die elk op zich worden onderverdeeld in drie delen: (1) diagnose, (2) oplossingen en (3) reflectie. 
In deze studie bestudeerde ik de impact van de verspreiding van de Franse arbeiderswijk van Mulhouse, van de Duitse volksbanken van Schulze-Delitzsch en van het Nederlandse model van de Maatschappij Tot Nut van{\textquoteright}t Algemeen. Maar ook Belgische projecten zoals Laurents schoolsparen en Buls{\textquoteright} Ligue de l{\textquoteright}enseignement kregen internationale weerklank en fungeerden als {\textquotedblleft}deugdzame{\textquotedblright} internationale modellen.
Ik kwam tot vier grote conclusies: 
(1) De hommes-orchestres vormden nooit een strak afgebakende groep, maar er tekenden zich wel drie {\textquotedblleft}types{\textquotedblright} af: professionals, lokale brokers en politieke hervormers. 
(2) De hommes-orchestres hadden een gemeenschappelijke ideologie: gebaseerd op de formulering van de sociale kwestie en de aangereikte oplossing van een maatschappij waarin drie elementen voorop stonden: zelfhulpprincipe, samenwerking tussen kapitaal en arbeid en een ondersteunende rol van de overheid. Door de uitbouw van co{\"o}peratieve verenigingen streefde men naar een harmonieuze samenleving met {\textquotedblleft}deugdzame en gezonde burgers{\textquotedblright} die zich meester hadden gemaakt van de {\textquotedblleft}juiste{\textquotedblright} liberale waarden: spaarzaamheid, zelfredzaamheid, zelfstandigheid, vooruitziendheid, orde, netheid, zelfbeheersing, la{\"i}cisme, bekwaamheid, tolerantie, vrijheid van meningsuiting, rechtvaardigheid en werkijver.
(3) De geschiedenis van de hommes-orchestres was wel degelijk een histoire crois{\'e}e. Hun wapens in de sociale strijd waren op {\'e}{\'e}n of andere manier met elkaar vervlochten. In de zoektocht naar een oplossing voor de sociale kwestie verbonden de hommes-orchestres verschillende ruimtelijke schalen -- lokaal, nationaal, internationaal -- met elkaar. Het waren zij die als individuen een link smeedden tussen de internationale fora en de lokale experimenten. De internationale bijeenkomsten waren podia voor maatschappelijke vernieuwingen, broedplaatsen voor sociale idee{\"e}n.
(4) Er gaapte een diepe kloof tussen de negentiende-eeuwse werkelijkheid en het discours van de hommes-orchestres. In woord waren de projecten wel gericht op de volledige {\textquotedblleft}arbeidersklasse{\textquotedblright}, maar in de realiteit richtten de hommes-orchestres zich vooral op de belangen van een toplaag van de arbeiders. Terwijl men in de periode 1846-1886 vooral verenigingen oprichtte voor de arbeiders, zette men pas op het einde van de negentiende eeuw in op verenigingen door de arbeiders. Het feit dat er geen rechtstreekse erfgenamen van de hommes-orchestres aanwezig zijn in ons huidig versplinterd politiek landschap, doet niets af aan de symbolische rol die ze in de negentiende eeuw hebben gespeeld bij de modernisering en humanisering van het maatschappelijk denken.},
  author       = {Van Praet, Carmen},
  language     = {dut},
  pages        = {423},
  publisher    = {Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte},
  school       = {Ghent University},
  title        = {Liberale hommes-orchestres en de sociale kwestie in de negentiende eeuw: tussen lokaal en internationaal},
  year         = {2015},
}

Chicago
Van Praet, Carmen. 2015. “Liberale Hommes-orchestres En De Sociale Kwestie in De Negentiende Eeuw: Tussen Lokaal En Internationaal”. Gent: Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte.
APA
Van Praet, Carmen. (2015). Liberale hommes-orchestres en de sociale kwestie in de negentiende eeuw: tussen lokaal en internationaal. Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Gent.
Vancouver
1.
Van Praet C. Liberale hommes-orchestres en de sociale kwestie in de negentiende eeuw: tussen lokaal en internationaal. [Gent]: Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte; 2015.
MLA
Van Praet, Carmen. “Liberale Hommes-orchestres En De Sociale Kwestie in De Negentiende Eeuw: Tussen Lokaal En Internationaal.” 2015 : n. pag. Print.