Advanced search
1 file | 2.54 MB

Vergeten linies: Antwerpse bunkers en loopgraven door de lens van Leutnant Zimmermann (1918)

Editor
(UGent) and Bourgeois Ignace
Organization
Abstract
Onderzoek van de Universiteit Gent in het Koninklijk Legermuseum (KLM) in Brussel bracht in 2007 een reeks van 46 onbekende luchtfoto’s aan het licht. De foto’s dateren van januari 1918 en zijn van Duitse origine. Ze dragen het opschrift Kaiserliche Fortifikation Antwerpen en werden genomen door de tot dan toe onbekende luitenant Zimmermann. Het was direct duidelijk dat de foto’s een schat aan historische informatie bevatten. Het provinciebestuur van Antwerpen liet ze grondig analyseren om er zo veel mogelijk informatie uit te halen. Dat gebeurde vanaf 2008 in het project ‘Inventarisatie en verwerking van het luchtfotografisch fonds ‘Zimmermann’’ (Stichelbaut et al. 2009). Een dergelijke analyse van historische luchtfoto’s verloopt volgens een vast stramien. Allereerst scannen we de originele contactafdrukken met een resolutie van 400 dpi (dots per inch). De metadata (gegevens op de foto zoals de naam van de fotograaf, ligging, datum en hoogte van de opname) voeren we in in een eenvoudige databank. De volgende, uiterst belangrijke stappen zijn het terugvinden van de exacte lokalisatie van de foto’s en het geografisch corrigeren van de foto’s zodat ze zo verticaal mogelijk op een kaart kunnen worden geprojecteerd. Dat zogenaamde georectificeren bestaat uit het aanduiden van minstens zes grondcontrolepunten op de historische luchtfoto en op de hedendaagse topografische kaart met schaal 1:10.000. Dat gebeurt in een geografisch informatiesysteem (GIS). In de meeste gevallen zijn die controlepunten hoeken van grachten en perceelgrenzen, kruispunten van wegen, of andere punten die zowel op de oude foto als op de hedendaagse kaart te herkennen zijn. Via de software worden de X- en Y-as van de foto onafhankelijk van elkaar geschaald. Zo krijgen we een zo verticaal mogelijk beeld, dat gebruikt kan worden om kaarten te maken met de exacte aanduiding van de relicten. Op de luchtfoto’s uit het KLM zijn allerlei sporen te zien die dateren uit de Eerste Wereldoorlog. Ze werden herkend en geïnterpreteerd op basis van vorig onderzoek (Stichelbaut 2011). De exacte contouren van de sporen worden vervolgens digitaal overgetekend in een aparte GIS-laag, waardoor ze geanalyseerd kunnen worden. Ten slotte worden de sporen geprojecteerd op een moderne topografische kaart. Op die manier verkrijgen we een gedetailleerd inzicht in de densiteit, de diversiteit en de ruimtelijke verspreiding van de op de foto herkende relicten uit de Eerste Wereldoorlog. De luchtfoto is dus de bron. De digitale laag in de GIS-software is het werkdocument voor verdere studie. Het onderzoek toonde aan dat de fotoreeks een deel van de Duitse verdediging langs de Belgisch-Nederlandse grens afbeeldt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwde de Duitse bezetter, uit vrees voor een aanval vanuit het neutrale Nederland, een verdedigingslinie van bunkers en loopgraven langs grote delen van de grens. In de provincie Antwerpen bestond die verdediging uit twee verschillende delen. De Nordabschnitt vormde het deel van de linie ten noorden en oosten van de stad Antwerpen, van de Schelde tot Schoten, en was deel van de grotere Stellung Antwerpen, de verdedigingsgordel rond de stad. In Schoten volgde de Turnhout-Kanalstellung het tracé van het kanaal Dessel-Schoten tot in Turnhout. Vanaf de ‘Oude Kom’ in Turnhout vormde ze een halve kringstelling rond de stad, eindigend in Corsendonck in Oud-Turnhout. De gevonden luchtfoto’s documenteren het grootste deel van die stellingen: op zijn verkenningsvlucht vloog de Duitse piloot over Zwijndrecht, Beveren, Antwerpen, Stabroek, Kapellen, Brasschaat, Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout en Oud-Turnhout. Meer dan 530 militaire verdedigingselementen werden geïdentificeerd en gelokaliseerd op een actuele kaart. De variatie aan verdedigingselementen is groot, van loopgraven en borstweringen, over bunkers en artillerieposten, tot de forten en schansen van de Antwerpse buitenlinie. In 2012 doken 39 luchtfotofiches met het opschrift “Zimmermann” op in doos 25 van het zogenaamde Moskouarchief van het KLM. Ze bleken genomen te zijn op dezelfde data en maken deel uit van de reeds bekende reeks. Iedere fiche bevat ook een interpretatie van de foto’s, meestal met een gedetailleerde schets van de gefotografeerde verdedigingswerken. 32 van de 39 ‘Moskoubeelden’ waren bekend en kunnen dus als dubbels beschouwd worden. 7 beelden zijn nieuw en vormen dus een aanvulling op de collectie. Het totale aantal teruggevonden beelden kwam zo op 53. Alle foto’s werden op dezelfde manier geanalyseerd. Verder zaten in het Moskouarchief (doos 952) tal van Duitse en Belgische kaarten en plannen van de Duitse verdedigingswerken ten noorden en oosten van Antwerpen en langs het kanaal Dessel-Schoten. Hoeveel is bewaard gebleven van die militaire infrastructuur uit de Eerste Wereldoorlog? Dat was de vraag die aan de basis lag van het project ‘Zimmermann anno 2010. Inventarisatie en (omgevings)analyse van bovengronds bewaarde WO I-relicten van de Antwerpen-Turnhoutstellung’ (Dossche et al. 2012). Die analyse begon met een bureauonderzoek, gevolgd door een grondige inventarisatie op het terrein van de bovengronds bewaarde militaire verdedigingselementen. De gegevens werden geïntegreerd in een databank en resulteerden in kaartmateriaal in een geografisch informatiesysteem (GIS). In een eerste fase van het bureauonderzoek bekeken we de historische gegevens, de Zimmermann-foto’s zelf en de resultaten van de studie uit 2008-2009. De gratis satellietbeelden van de web-applicatie Google Earth gaven een eerste idee van het aantal bewaarde relicten. In een tweede fase verzamelden we de reeds beschikbare informatie over de linies en de nog bestaande structuren. Die gegevens werden ter voorbereiding van het veldwerk geïmporteerd in een GIS, waarbij alle kaarten en foto’s in hetzelfde coördinatensysteem werden gezet. Zo konden we ze op een eenvoudige manier vergelijken en de locatie van de op de foto zichtbare elementen vlot op de hedendaagse kaart terugvinden. Enkele analoge bronnen moesten daarvoor gedigitaliseerd worden en op de kaart ‘rechtgetrokken’ worden (scannen en georefereren, vergelijkbaar met het proces van de luchtfoto’s). Op die manier konden we het volledige traject van de terreininventarisatie in detail uitstippelen en voorbereiden. In de laatste fase ontwikkelden we een efficiënte werkwijze: voor het terreinwerk werden alle foto’s, kaarten en gegevens op een iPad met ingebouwd gps gezet. Zo konden we de exacte locatie van de bekende, maar grotendeels verdwenen resten terugvinden. Op die locaties werd dan een gedetailleerde inventarisatie uitgevoerd. Ook alle historische gegevens en de typeplannen van de verschillende bunkermodellen werden op de tabletcomputer gezet, zodat we ze op het terrein direct konden raadplegen. Tijdens het veldwerk vulden we de databank rechtstreeks aan. Extra informatie werd op papier genoteerd. Het terreinwerk zelf bestond uit een grondig onderzoek van de gebieden die door de luchtfoto’s worden bedekt. De bovengronds bewaarde restanten van het militaire erfgoed van de Eerste Wereldoorlog werden gedetailleerd geïnventariseerd. Met toestemming van de eigenaars controleerden we alle percelen, of die nu in woonwijken, bossen, akkers of industriegebied lagen. De bovengronds bewaarde relicten kregen een uniek nummer (Z001, Z002 enzovoort). De restanten werden gelokaliseerd met een gps-toestel met een nauwkeurigheid van vijf meter, aangeduid op de digitale kaarten op de iPad, en in detail gefotografeerd en beschreven aan de hand van inventarisfiches en de digitale databank. De informatie bestaat uit een beschrijving van de locatie en context van de sporen (coördinaten en tekstuele beschrijving), een beschrijving van de monumenten zelf (zie criteria hieronder) en een inschatting van de bewaringstoestand. Beschrijving van het monument: • Type (uitgebreide typologie) • Tekstuele beschrijving • Mogelijke datering • Afmetingen, bovengronds bewaarde hoogte • Oriëntatie (richting vijandelijke zijde/schietgat t.o.v. magnetisch noorden) • Bouwmaterialen • Aantal ingangen, kijk- en schietgaten, eventuele pantserkoepels • Aanwezigheid van camouflage • Graad van afwerking (ruw-fijn) Locatie en context: • Coördinaten • Gemeente - toponiem • Context en bereikbaarheid Bewaringstoestand: • Algemene inschatting: slecht tot uitstekend • Graad en aard van begroeiing • Ingangen: dichtgemaakt of nog open De zoektocht naar en analyse van de bewaarde militaire infrastructuur leverde 476 relicten op. Dat is verrassend veel. De structuren kunnen onderverdeeld worden in de volgende types: • 399 bunkers, waarvan er 8 verzonken zijn (ondergronds bewaard) en 4 bovengronds afgebroken, dus 387 bovengronds bewaarde bunkers. Een twintigtal verschillende types werden herkend en benoemd; • 58 stukken bovengronds bewaarde loopgraaf met een lengte van 10 meter tot een paar honderd meter (43 stukken gevechtsloopgraaf, 13 verbindingsloopgraven, 2 naderingsloopgraven); • 10 aarden kazematten; • 5 aarden borstweringen (waarvan de eventuele bijbehorende loopgraaf niet bewaard is); • 4 onbepaalde, niet te herkennen sporen. De meeste militaire resten (400) maken deel uit van de zogenaamde Nordabschnitt. Bijna de helft van de bewaarde structuren ligt in Kapellen (197). Brasschaat telt 96 relicten, Stabroek 67 en Schoten 40. De kanaalverdediging had een kleinere dichtheid en de restanten zijn er minder goed bewaard. Verspreid over Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout en Oud-Turnhout werden 76 structuren aangetroffen. De hoeveelheid, de diversiteit en de goede bewaringstoestand van de militaire elementen zijn uniek voor België en maken van het geheel een uitzonderlijk stuk militair erfgoed. Vooral het goed bewaarde en indrukwekkende Duitse loopgravensysteem uit 1917 is belangrijk: meer dan tien kilometer loopgraven zijn uitstekend bewaard gebleven. Dat is zelfs op Europees vlak uitzonderlijk. Ook uit de fase juist vóór de oorlog is uniek erfgoed teruggevonden. Uiterst zeldzaam is een reeks van zeven goed bewaarde Belgische bunkers uit 1914. Ze behoren tot de oudste bewaarde betonnen schuilplaatsen in ons land. Gekoppeld aan het archeologische terreinwerk werd ook de landschappelijke context onderzocht. Dat onderzoek had als doel inzicht te verkrijgen in de stabiliteit of de dynamiek van het landschap waarin de militaire relicten zich bevinden (of bevonden) en het bepalen van de invloed daarvan op de relicten zelf en op de omgeving. Vooraleer het terreinwerk en de daaraan verbonden analyse kon beginnen, werd het relevante bronmateriaal geanalyseerd: literatuur, fotografisch materiaal en historische kaarten van de regio. Ook hier kwam na het bureauonderzoek het terrein zelf aan bod. Het huidige landschap werd door intensieve terreinobservaties geïnventariseerd. We bezochten 128 observatiepunten waarvan er 88 systematisch werden beschreven aan de hand van een fiche. Van 40 namen we enkel een foto. Tijdens het terreinwerk werd per observatiepunt een algemene landschappelijke beschrijving gemaakt met de landschappelijke hoofdstructuren, de geomorfologische structuur, de waardevolle elementen en karakteristieke zichten. Voorts werd gefocust op de oorlogsrelicten: hoe zijn ze in het landschap gepositioneerd en wat is hun toegankelijkheid en bereikbaarheid? Zowel bij de observatiepunten zelf als bij de fotolocaties werden foto’s gemaakt van de zichtbare relicten uit de Eerste Wereldoorlog. Ook werden panoramafoto’s gemaakt waarop de militaire relicten duidelijk in het landschap herkenbaar zijn. Met de informatie uit de literatuur en de terreinobservatie maakten we een gebiedsdekkende landschapskarakterisering. Via de analyse van historisch, fotografisch en cartografisch bronmateriaal bepaalden we de landschappelijke evolutie en de tijdsdiepte. Eerst werd de situatie van het gebied in vijf periodes in kaart gebracht, met name in 1918, 1960, 1990, 2002-2003 en 2010. Per periode werden de verschillende landschapstypes gekarteerd. Ten tweede voerden we een analyse uit van de landschapsdynamiek. Daarbij wordt het landgebruik doorheen de tijd onderzocht. Op die manier verkrijgen we inzicht in de stabiliteit of dynamiek van het landschap waarin de militaire relicten gelegen zijn. Op basis van een tijdreeksanalyse van luchtfoto’s tussen 1918 en 2010 kregen we inzichten in de diversiteit van de landschapsdynamiek langs de volledige gefotografeerde linie. Het huidige landgebruik blijkt een bepalende factor voor de huidige herkenbaarheid, de bewaringstoestand en de functie van de nog aanwezige relicten. Het is opvallend dat het grootste deel (65%) van de gelokaliseerde relicten goed bewaard is. Bunkers zijn terug te vinden in alle huidige landschapstypes, ongeacht de veranderingen die ze doorgemaakt hebben. Loopgravensystemen bleken minder resistent tegen landschappelijke veranderingen zoals de toename van residentiële bebouwing, industriële activiteiten of schaalvergroting van de landbouw. Belangrijke relicten van de loopgravensystemen zijn wel mooi bewaard in een aantal bosgebieden, zoals het Mastenbos, het Wolvenbos en de Uitlegger in Kapellen, of rond het fort van Schoten. Op basis van de archeologische inventaris van de militaire relicten, de landschappelijke analyse van het huidige landgebruik en visuele kenmerken van verschillende deelgebieden, kunnen de sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen worden opgesomd met betrekking tot de militaire relicten en hun landschappelijke context. De zoektocht naar de potenties en knelpunten vormde de basis van een visievorming, geconcentreerd rond twee strategische doelstellingen: (1) behouden en vrijwaren en (2) ontsluiten van het militaire en landschappelijke erfgoed. De visie en bijbehorende cartografische voorstelling geven de mogelijke keuzes weer. Ze formuleert duidelijke doelstellingen, suggereert mogelijkheden voor toekomstige ontwikkelingen en duidt aan met welke maatregelen we die kunnen bereiken. Het Europese project ‘Great War between the lines’, deel van het Europese ‘Interreg IV A - 2 Zeeënprogramma’, bood in 2012 de kans om een vervolgonderzoek uit te voeren. In het project ‘Ontsluitingsmogelijkheden van het militaire erfgoed van de Antwerpen-Turnhoutstellung’ (Verplaetse et al. 2012) moesten voor drie specifiek gekozen deelgebieden van de linie inrichtingsvoorstellen over bewaring en ontsluiting van het erfgoed voorgesteld worden. Het project focuste op deelgebieden, elk in een specifieke landschappelijke omgeving: het agrarische landschap ten noorden van de dorpskern van Stabroek, het Mastenbos in Kapellen en de geïndustrialiseerde en residentiële kanaalzone van Schoten tot Turnhout. Voor de uitwerking van die detailstudie werd in drie fasen gewerkt. Allereerst werd het huidige toeristische, recreatieve en cultuurhistorische aanbod van elk deelgebied in kaart gebracht en geanalyseerd, waarbij de plus- en minpunten werden opgelijst. Door het gebied in een volgende fase voor verschillende factoren (bereikbaarheid, ontsluiting op het terrein …) te evalueren ten opzichte van een gewenste referentiesituatie, konden we duidelijk aangeven waar zich nieuwe ontsluitingsmogelijkheden voordoen. Op basis van de resultaten uit de analyse en evaluatie werd voor elk deelgebied in de derde fase een concept opgesteld, dat beschouwd wordt als de invalshoek voor het uitwerken van de ontsluiting van het gebied. Deze verschillende projecten resulteerden in een rijke dataset die zowel voor het beheer van het erfgoed als voor verder wetenschappelijk onderzoek een unieke bron is. Dit boek brengt alle gegevens samen en vormt het sluitstuk van jarenlang onderzoek. De foto’s zijn een onmiskenbare historische bron waarop we zowel de oudere forten en schansen en de Belgische verdediging uit 1914 als de Duitse verdedigingslijn uit 1917 kunnen herkennen. De studie van de beelden toont aan hoe die stellingen er in werkelijkheid uitzagen, hoe ze vanuit de lucht gedocumenteerd werden, uit welke elementen de militaire werken bestonden en, bovenal, hun exacte positie in het huidige landschap. Met moderne cartografische technieken kon de oorspronkelijke linie tot in de kleinste details in kaart worden gebracht. De GIS-laag en de bijbehorende databank zijn de ideale werkinstrumenten voor een proactief erfgoedbeleid. Het is onze hoop en verwachting dat een dergelijk beleid spoedig wordt ontplooid en dat dit boek daarbij als stevig fundament zal dienen.
Une recherche effectuée en 2007 par l’université de Gand dans les archives du Musée Royal de l’Armée (MRA) à Bruxelles mit au jour une série de 46 photographies aériennes inconnues. Ces photos d’origine allemande datent de janvier 1918. Elles portent l’inscription Kaiserliche Fortifikation Antwerpen et ont été prises par un personnage jusque-là inconnu, le lieutenant Zimmermann. Elles se révélèrent très vite une mine précieuse d’informations historiques. La Province d’Anvers les a fait étudier en détail afin d’en extraire un maximum d’informations. L’étude fut réalisée à partir de 2008 dans le cadre d’un projet collaboratif ‘Inventarisatie en verwerking van het luchtfotografisch fonds ‘Zimmermann’’ (Stichelbaut et al. 2009). Une telle analyse de photographies aériennes historiques s’effectue suivant une méthode bien définie. Les photos originales sont d’abord scannées à une résolution de 400 dpi (dots per inch). Les métadonnées sont encodées dans une banque de données : nom du photographe, localisation, date et altitude de la photo. Les démarches suivantes, très importantes, permettent de positionner exactement la photo, puis géo-rectifient l’image, de telle sorte qu’elle puisse être projetée le plus verticalement possible sur une carte. Cette géo-rectification exige de définir au moins six points de contrôle sur le document historique et de les reporter sur une carte topographique moderne à l’échelle 1/10.000e. Cela s’effectue dans un système d’information géographique (SIG). Ces points de contrôle sont souvent des limites de parcelles, des fossés, des croisements de routes ou d’autres points marquants que l’on peut trouver tant sur la photo que sur les cartes modernes. Un logiciel spécial rééchelonne indépendamment les axes X et Y de la photo. On obtient ainsi une image quasiment verticale qui permet de produire des cartes précises indiquant tous les vestiges visibles sur la photo. Ces photos révèlent toute une série de traces de la Première Guerre mondiale. Elles sont identifiées et interprétées à partir de l’expérience acquise lors de recherches antérieures (Stichelbaut 2011). Les contours exacts des vestiges sont ensuite numérisés dans une couche SIG spécifique, ce qui permet toutes sortes d’analyses. Les vestiges sont enfin projetés sur une carte topographique actuelle. Cette recherche permet d’obtenir une image précise de la densité, de la diversité et de l’organisation spatiale des vestiges de la Première Guerre mondiale. La photographie devient donc la source et la carte numérique produite par le SIG est un document de travail pour l’avenir. Cette recherche a montré que les photographies documentent une partie de la ligne de défense allemande le long de la frontière belgo-néerlandaise. En effet, au cours de la Première Guerre mondiale, l’occupant allemand, craignant une attaque venant des Pays-Bas, pourtant neutres, construisit une ligne de défense composée de bunkers et de tranchées le long de cette frontière. Dans la province d’Anvers, cette ligne se compose de deux sections. La section appelée Nordabschnitt se trouve au nord et à l’ouest de la ville d’Anvers, depuis l’Escaut jusqu’à Schoten, et fait partie de la Stellung Antwerpen, une ligne de défense plus importante entourant toute la ville. La Turnhout Kanalstellung commence à Schoten et longe le canal de Dessel-Schoten jusqu’à Turnhout. A partir de l’ancien bassin (Oude Kom) à Turnhout, elle forme un demi-cercle autour de la ville pour se terminer à Corsendonk - Oud Turnhout. Les photographies aériennes retrouvées couvrent la majeure partie de ces défenses : lors de son vol de reconnaissance, le pilote allemand survola Zwijndrecht, Beveren, Anvers, Stabroek, Kapellen, Brasschaat, Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout et Oud-Turnhout. Plus de 530 éléments de défense militaire ont été identifiés et localisés sur une carte moderne. Ces vestiges sont de toutes sortes, allant de tranchées et parapets aux forts et remparts de la ligne extérieure d’Anvers en passant par des bunkers et des postes d’artillerie. En 2012, 39 nouvelles photographies avec l’inscription « Zimmermann » apparurent dans la boîte 25 des archives dites de Moscou au MRA. Elles semblent avoir été prises aux mêmes dates et donc faire partie de la série déjà connue. Chaque photo s’accompagne d’une fiche d’interprétation, souvent avec une esquisse détaillée des fortifications. Trente-deux des 39 ‘images de Moscou’ étaient déjà connues et peuvent donc être considérées comme des doubles. Sept sont donc nouvelles et complètent la collection existante. Ce qui amène le total des photographies aériennes de cette série à 53. Les nouvelles photos ont été examinées suivant la méthode décrite ci-dessus. On retrouva également dans les archives de Moscou (boîte 952) un grand nombre de cartes et de plans des systèmes de défense allemands au nord et à l’est d’Anvers et le long du canal Dessel-Schoten. Que reste-t-il de cette infrastructure militaire de la Première Guerre mondiale ? Voilà la question qui était en 2010 à la base du projet intitulé « Zimmerman anno 2010. Inventaire et analyse (environnementale) des vestiges conservés de la première guerre mondiale le long de la Antwerpen-Tunrhoutstellung » (Dossche et al. 2012). Cette analyse commence avec une étude de bureau, suivie d’un inventaire détaillé sur le terrain de tous les vestiges militaires conservés. Ces données ont été intégrées dans une banque de données et ont produit des cartes dans un SIG. La première phase de l’étude en bureau a porté sur l’analyse des données historiques, des photographies elles-mêmes et des résultats de l’étude 2008-2009. Les images satellites obtenues gratuitement via le logiciel Google Earth nous ont fourni une première approche du nombre de vestiges préservés. Dans une phase suivante, les informations déjà existantes sur les lignes et les structures préservées ont été regroupées. Toutes ces données ont été importées dans le SIG en vue du contrôle sur le terrain et toutes les cartes et photos ont été transposées selon les mêmes coordonnées. Il est ainsi facile de comparer les documents et de localiser aisément les structures sur les cartes modernes. Certains documents analogues ont pour cela été numérisés et géoréférencés si nécessaire (scannage puis géo-référencement, suivant la même méthodologie que pour les photographies). Nous avons ainsi pu dessiner et préparer dans le détail le trajet complet du contrôle sur le terrain. Finalement, nous avons mis en place une façon de travailler efficacement sur le terrain : toutes les photos, cartes et données sont intégrées dans un SIG sur tablette iPad, ce qui a permis de retrouver la localisation exacte des vestiges connus, mais aussi de ceux qui ont disparu. Chaque site a été inventorié en détail. Les données historiques et les plans-type de chaque sorte de bunker ont également été intégrés au SIG sur la tablette, de manière à pouvoir être consultés directement sur le terrain. La banque de données était complétée directement sur le terrain, au moyen de la tablette, des informations supplémentaires étant si nécessaire notées sur support papier. Le travail de terrain a consisté essentiellement en une analyse approfondie des zones couvertes par les photographies aériennes. Chaque vestige de fortification de la Première Guerre mondiale préservé a été inventorié en détail. Toutes les parcelles, tant dans les zones d’habitat que dans les bois, les champs ou les zones industrielles, ont été contrôlées, avec l’assentiment des propriétaires. Chaque vestige a reçu un numéro d’identification unique (Z001, Z002 etc.) et a été localisé au GPS (précision : 5 mètres), localisé sur les cartes numériques de l’iPad, photographié en détail et décrit au moyen de fiches dans la banque de données. Cette fiche identitaire inclut également une description du lieu et du contexte (coordonnées et description textuelle), une description du monument en question (voir les paramètres ci-dessous) et une évaluation de son état de conservation. Description du monument • Type (typologie détaillée) • Description textuelle • Datation éventuelle • Dimensions, hauteur préservée au-dessus du sol • Orientation (direction ligne ennemie/embrasures par rapport au nord magnétique) • Matériaux de construction utilisés • Nombre d’entrées, d’embrasures et de meurtrières, tourelles éventuelles • Présence de camouflage • Degré de finition (grossier – soigné) Localisation et contexte • Coordonnées • Commune – toponyme • Contexte et accessibilité État de conservation • Estimation globale: de mauvais à excellent • Degré et couverture végétale et type de végétation • Entrées : obturées ou ouvertes Cette recherche et analyse de l’infrastructure militaire préservée a livré un nombre étonnamment élevé de vestiges. Au total, 476 structures ont été répertoriées. Elles ont pu être classées selon les types suivants : • 399 bunkers, dont 8 sont enfouis, préservés en sous-sol et 4 ont été détruits au-dessus du sol, mais sont préservés en sous-sol. Restent 387 bunkers préservés. Une vingtaine de types différents ont été identifiés (voir les pages suivantes) ; • 58 tronçons de tranchées au-dessus du sol, préservées sur une longueur de 10 m à plusieurs centaines de mètres (43 tranchées de combat, 13 tranchées de communication et 2 tranchées d’approche) ; • 10 casemates en terre ; • 5 parapets en terre (dont l’éventuelle tranchée n’a pas été préservée) ; • 4 traces non-identifiables. La plupart des vestiges militaires (400) appartiennent à la ligne de défense Nordabschnitt. Presque la moitié des structures encore existantes se situent à Kapellen (197). Brasschaat en compte 96, Stabroek 67 et Schoten 40. La défense du canal était moins dense et ses vestiges sont moins bien conservés : 76 structures ont été retrouvées sur une zone couvrant Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout et Oud-Turnhout. Tant le nombre que la diversité et la bonne préservation des éléments militaires sont uniques pour la Belgique et font de cette ligne de défense un patrimoine militaire exceptionnel. L’impressionnant système de tranchées allemandes, si bien préservé, est particulièrement remarquable : plus de 10 km de tranchées sont en très bon état. Même au niveau européen, cela est exceptionnel. La période précédant la guerre a également livré un patrimoine unique : la série de sept bunkers belges de 1914, bien conservés, est tout aussi exceptionnelle. Ce sont là les plus anciens abris en béton préservés connus dans notre pays. En combinaison avec le travail de terrain ‘archéologique’, l’étude a porté sur le contexte paysager de ce patrimoine. Cette étude a pour but de comprendre la stabilité et la dynamique du paysage dans lequel ces vestiges militaires se trouvent (ou se trouvaient) et de définir leur influence sur les vestiges eux-mêmes et sur l’environnement. Avant d’entamer l’inventaire de terrain et son analyse, les sources utiles ont été étudiées : littérature, matériel photographique et cartes historiques. Puis vint le travail sur le terrain. Un inventaire détaillé du paysage a été effectué au moyen d’observations de terrain intensives. 128 points d’observation ont été visités, parmi lesquels 88 ont été décrits en détail sur fiche. Pour 40 autres points, une seule photo a été prise. L’analyse des points d’observation comprend une description générale du paysage, enregistrant les structures paysagères principales, la structure géomorphologique, les éléments de valeur et les vues caractéristiques. L’attention s’est ensuite portée sur les vestiges de la guerre : comment sont-ils positionnés dans le paysage ; quelle est leur accessibilité ? De nombreuses photos ont été prises tant sur les points d’observation détaillés que pour les autres sites : elles concernent les vestiges militaires dans le paysage, principalement les vestiges de la Première Guerre mondiale. Quelques photos panoramiques ont également été réalisées, sur lesquelles les vestiges militaires sont clairement visibles. Avec les informations provenant de la littérature et du terrain, nous avons effectué une caractérisation paysagère complète de la zone. Une analyse historique, les sources photographiques et cartographiques permirent de définir l’évolution du paysage et sa dynamique dans le temps. Nous avons d’abord défini l’état de la région à cinq moments différents, en 1918, 1960, 1990, 2002-2003 et 2010. Les différents types de paysage ont été cartographiés pour chaque période. Nous avons ensuite effectué une analyse de la dynamique du paysage. Ainsi, nous pouvons étudier l’occupation du sol au cours du temps , ce qui nous permet de comprendre la stabilité ou au contraire la dynamique du paysage dans lequel les monuments militaires se situent. L’analyse d’une série de photos aériennes entre 1918 et 2010 nous a permis d’entrevoir la diversité de cette dynamique du paysage le long de la ligne de défense en question. Il semble que le type de paysage actuel soit déterminant pour la visibilité présente ainsi que pour la qualité de conservation des vestiges encore présents. Il est à remarquer que la majeure partie des structures localisées (65%) est encore bien préservée. Les bunkers se retrouvent dans tous les types de paysage, indépendamment de son évolution et des changements qui ont eu lieu. Les systèmes de tranchées par contre semblent avoir moins bien résisté à l’extension de l’habitat résidentiel, à l’activité industrielle et à l’agriculture. Certains beaux tronçons sont toutefois bien conservés en sous-bois, comme le Mastenbos, le Wolvenbos ou le Uitlegger à Kapellen ou autour du fort de Schoten. L’inventaire archéologique des vestiges militaires, l’analyse du paysage actuel et des caractéristiques visuelles des différentes parties du tracé permettent de définir les analyses des forces, faiblesses, opportunités et menaces pour ce type de structure. Cette recherche des potentialités et des faiblesses a formé l’assise d’une vision d’ensemble qui s’est concentrée sur deux objectifs stratégiques : la conservation et le préservation du patrimoine militaire et paysager d’une part, et son désenclavement de l’autre. Cette vision et sa cartographie présentent les diverses options possibles et formulent clairement les objectifs, suggèrent certaines évolutions futures possibles et indiquent quelles mesures sont nécessaires pour atteindre ces objectifs. Le projet européen Great War between the lines, partie du programme européen ‘Interreg IV-A Deux mers’, offrait l’opportunité, en 2012, de continuer la recherche déjà entamée. Le projet ‘Ontsluitingsmogelijkheden van het militaire erfgoed van de Antwerpen-Turnhoutstellung’ (Verplaetse et al. 2012) s’est fixé comme objectif de proposer, pour trois secteurs spécifiques de la ligne de défense, des mesures d’aménagement pour la conservation et le désenclavement de ce patrimoine spécifique. Le projet s’est concentré sur trois régions, toutes dans un contexte paysager différent : le paysage agraire au nord de l’agglomération de Stabroek, le Mastenbos à Kapellen en la zone industrialisée et résidentielle du canal de Schoten à Turnhout. Pour la réalisation de ce projet, on a travaillé en trois phases. Dans un premier temps, l’infrastructure touristique, récréative et patrimoniale de chaque zone d’étude a été mise en cartes et analysée, pour en définir les points forts et les points faibles. Puis, en évaluant certains facteurs (accessibilité, désenclavement…) en fonction d’une situation de référence désirée, nous avons pu définir où se situent les nouvelles opportunités. Après l’analyse et l’évaluation, un concept a pu être établi, qui pourra servir de point d’attaque pour le désenclavement de la zone d’étude. Ces différents projets ont produit une riche documentation qui forme une source unique pour la gestion du patrimoine culturel autant que pour la recherche scientifique. Ce livre groupe toutes ces données et est la clé de voûte de ce projet pluriannuel. Les photographies aériennes constituent une source documentaire inégalable qui permet de reconnaître tant les anciens forts et remparts que les défenses belges de 1914 et la ligne de défense allemande de 1917. L’étude de ces images montre comment ces fortifications se présentent dans la réalité, quels éléments composent ces fortifications militaires et, par-dessus tout, leur position exacte dans le paysage moderne. Les techniques cartographiques modernes ont permis de dessiner dans le moindre détail la ligne originale. Cette couche SIG et la banque de donnée qui y est connectée forment l’instrument idéal pour une gestion proactive du patrimoine. Nous espérons que cette gestion se mettra en place rapidement et que cet ouvrage pourra servir de base solide.
Research carried out by the University of Ghent at the Royal Museum of the Armed Forces and of Military History in Brussels in 2007 brought to light 46 aerial photographs dating from January 1918. The photographs are of German origin. They carry the caption Kaiserliche Fortifikation Antwerpen and were taken by a certain Lieutenant Zimmermann. It was immediately clear that the photographs contained a wealth of historical data. Keen to have them analyzed to extract that information, in 2008 Antwerp provincial authorities launched a project entitled ‘Inventorization and processing of the Zimmermann aerial photograph collection’ (Stichelbaut et al. 2009). There is an established format for this type of analysis of historical aerial photographs. First of all we scan the original contact prints at 400 dpi (dots per inch). We enter the descriptive metadata (information on the photograph such as the photographer’s name, the location, date and altitude of the shot) into a databank. The next, extremely important steps are finding the exact location of the photographs and aligning the photographs geographically so that they can be projected onto a map as vertically as possible. This process known as ‘georectification’ consists of marking at least six ground control points on the historical aerial photograph and on the modern-day topographic map at scale 1:10,000. This is done in a geographic information system (GIS). These control points are usually corners of canals and parcel boundaries, street intersections or other points which can be identified on the old photographs and on the modern-day map. The software is used to scale the X and Y axis of the photograph independently so as to obtain as vertical an image as possible that can be used to make maps that locate the relics with great accuracy. All kinds of vestiges dating from the First World War appear on the aerial photographs from the Royal Museum of the Armed Forces and of Military History in Brussels. They were identified and interpreted on the basis of previous research (Stichelbaut 2011). The exact contours of the vestiges were then redrawn digitally in a separate GIS layer for analysis. Lastly, the vestiges were projected onto a modern-day topographical map. This gives us a detailed understanding of the density, diversity and spatial spread of the WW1 relics identified in the photograph. So the aerial photograph is the source. The digital layer in the GIS software is the working document for further study. The research showed that the series of photographs depicts a part of the German defences along the Belgian-Dutch border. Fearing an attack from the neutral Netherlands during the First World War, the German occupier built a defence line of bunkers and trenches along large parts of the border. In the Province of Antwerp that defence consisted of two different sections. The Nordabschnitt formed the section of the line to the north and east of the city of Antwerp, from the River Scheldt to Schoten, and was part of the larger Stellung Antwerpen, the chain of defence around the city. In Schoten the Turnhout-Kanalstellung followed the route of the Dessel-Schoten canal to Turnhout. From the ‘Oude Kom’ in Turnhout it formed a semicircle around the town, ending in Corsendonck in Oud-Turnhout. The aerial photographs discovered in 2007 document most of those positions: on his reconnaissance flight the German pilot flew over Zwijndrecht, Beveren, Antwerp, Stabroek, Kapellen, Brasschaat, Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout and Oud-Turnhout. More than 530 military defence elements were identified and located on a modern-day map. The defence elements varied greatly from trenches and breastworks, through bunkers and artillery posts to the forts and sconces of Antwerp’s outer line. In 2012, 39 aerial photograph index cards bearing the caption “Zimmermann” turned up in Box 25 of the so-called Moscow Archive of the Royal Museum of the Armed Forces. The photographs proved to have been taken on the same dates as the already discovered series and to be part of it. Each card also contains an interpretation of the photographs, usually along with a detailed sketch of the photographed defences. We were already familiar with 32 of the 39 ‘Moscow images’ and so they could be regarded as duplicates. Seven images were new and so supplemented the collection. Thus the total number of images found came to 53. All the photographs were analyzed in the same way. Furthermore Box 952 of the Moscow Archive contained numerous German and Belgian maps and plans of the German defences to the north and east of Antwerp and along the Dessel-Schoten canal. How much of that military infrastructure from the First World War has survived? That was the question behind the project ‘Zimmermann anno 2010. Inventorization and (environmental) analysis of aboveground WW1 relics from the Antwerpen-Turnhoutstellung’ (Dossche et al. 2012). That analysis began with desk research, followed by the complete inventorization in the field of the military defence elements preserved aboveground. The information was integrated into a databank and resulted in cartographic material in a geographic information system (GIS). In the first phase of the desk research we looked at the historical data, the Zimmermann photographs themselves and the findings of the 2008-2009 study. The free satellite images from the Google Earth web application gave us an initial idea of the number of relics preserved. In the second phase we collected the already available information about the lines and the surviving structures. In preparation for the fieldwork, these data were imported into a GIS whereby all the maps and photographs were converted into the same coordinate system. This made it easy to compare them and quickly find the location of the elements visible in the photograph on the modern-day map. This involved digitizing several analogue sources and ‘rectifying’ them on the map (scanning and georectification, comparable to the process used for the aerial photographs). This enabled us to map out and prepare in detail the whole route of the field inventorization. In the last phase we developed an efficient method of working: for the fieldwork all the photographs, maps and data were downloaded onto an iPad with built-in GPS, enabling us to pin-point the exact location of the known remains, scanty as they were. A detailed inventorization was then carried out in those locations. All the historical data and the type plans of the different bunker models were also stored on the tablet computer so that we could consult them in the field. We added directly to the databank while carrying out the fieldwork. A paper record was kept of additional information. The fieldwork itself consisted of a thorough examination of the areas covered by the aerial photographs. A detailed inventory was produced of the aboveground remains of the WW1 military heritage. With permission from the owners, we checked all the parcels of land, which are now in residential districts, woods, fields or industrial estates. The relics preserved aboveground were given a unique number (Z001, Z002, etc.). The remains were located with a GPS device accurate to within five metres, marked on the digital maps on the iPad and photographed and described in detail by means of inventory index cards and the digital databank. The information consists of a description of the location and context of the vestiges (coordinates and textual description), a description of the monuments themselves (see criteria below) and an appraisal of their condition. Description of the monument: • Type (comprehensive typology) • Textual description • Possible date • Measurements, preserved height aboveground • Orientation (direction enemy side/lookout hole with respect to magnetic north) • Building materials • Number of entrances, lookout holes and loopholes, any gun turrets • Any camouflage • Finished state (rough-fine) Location and context: • Coordinates • Municipality - toponym • Context and access Condition: • General appraisal (poor to excellent) • Degree and type of overgrowth • Entrances: filled in or still open The search for and analysis of the surviving military infrastructure produced a surprisingly large number of relics: 476. The structures can be subdivided into the following types: • 399 bunkers, 8 of which are sunken (preserved underground) and 4 demolished aboveground, so 387 extant bunkers aboveground. Some 20 different types were identified and named; • 58 examples of trench work aboveground ranging from 10 metres in length to a couple of hundred meters (43 examples of front-line trench, 13 communication trenches, 2 approach trenches); • 10 earth casemates; • 5 earth breastworks (whose trench, if any, has not survived); • 4 undefined, unrecognizable vestiges. Most of the military remains (400) are part of the northern section, the Nordabschnitt. Almost half of the preserved structures are located in Kapellen (197). Brasschaat has 96 relics, Stabroek 67 and Schoten 40. The canal defence had fewer remains and they are not as well preserved. Seventy-six structures were found spread over Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout and Oud-Turnhout. The sheer number, the diversity and the good condition of the military elements are unique for Belgium and make them an exceptional example of military heritage. The impressive and well-preserved German system of trenches dating from 1917 is particularly important: more than ten kilometres of trenches are extremely well preserved. This is exceptional even at European level. Extremely rare heritage dating from just before the war was also found: a series of seven well-preserved Belgian bunkers built in 1914. They are some of the oldest surviving concrete shelters in Belgium. In conjunction with the archaeological fieldwork, the landscape was also examined. The objective was to gain insight into the stability or the dynamics of the landscape where the military relics are (or were) located and to gauge their influence on the relics themselves and on the environment. Before the fieldwork and related analysis could begin, the relevant source material was analyzed: literature, photographic material and historical maps of the region. Here, too, desk research was followed by work in the field. The modern-day landscape was inventorized by means of intensive terrain observations. We visited 128 observation points, 88 of which were systematically described using an index card. Of 40 of them we just took a photograph. As part of the fieldwork, for each observation point a general description was drawn up of the landscape’s principal structures, the geomorphological structure, the valuable elements and characteristic views. Considerable attention was also paid to the war relics: how are they positioned in the landscape and what are accessibility and access like? In the case of the observation points themselves and the photo locations, photographs were taken of the visible relics from the First World War. Panoramic photographs were also taken on which the relics are clearly recognizable in the landscape. Armed with the information from the literature and the field observation, we constructed a topographic profile for the whole area. By analyzing historical, photographic and cartographical source material we established the landscape evolution and timescale. First of all we charted the situation of the area in five periods, i.e. 1918, 1960, 1990, 2002-2003 and 2010. The different landscape types were classified for each period. Secondly we carried out an analysis of the landscape dynamics, thereby examining the land use over the years. This provided information about the stability or dynamics of the landscape in which the military relics are located. A time series of aerial photographs taken between 1918 and 2010 provided insight into the diversity of the landscape dynamics along the whole of the photographed line. The current use of land seems to be a deciding factor for the recognizability, condition and function of the extant relics. Interestingly, most (65%) of the located relics are well preserved. Bunkers are found in all the current landscape types, despite the changes they have undergone. Trench systems proved less resistant to landscape changes such as the proliferation of housing developments, industrial activity and larger-scale farming. Important remains of the trench systems are well preserved in a number of wooded areas, like the Mastenbos, the Wolvenbos and the Uitlegger in Kapellen, and around Schoten fort. With the help of the archaeological inventory of the military relics, the landscape analysis of the current land use and visual characteristics of several areas, we were able to list the strengths, weaknesses, risks and threats relating to the military relics and their landscape context. A study of the potential and sticking points formed the basis for the creation of a vision, concentrated around two strategic objectives: (1) preservation and protection and (2) providing access to the military and landscape heritage. The vision and related cartographical representation reflects the possible choices. It formulates clear objectives and suggests possibilities for future developments and how they might be achieved. In 2012 the European project ‘Great War between the lines’, part of the European ‘Interreg IV A - 2 Seas programme’, provided the opportunity to carry out follow-up research. The project ‘The possibility of providing access to the Antwerpen-Turnhoutstellung military heritage’ (Verplaetse et al. 2012) required the presentation of proposals for preserving and accessing the heritage for three specifically chosen areas of the line. The project focussed on areas, each in a specific landscape environment: the agrarian landscape to the north of Stabroek town centre, the Mastenbos in Kapellen and the industrialized and residential canal zone from Schoten to Turnhout. Work on that detailed study was carried out in three phases. First of all we analyzed what each area has to offer in terms of tourism, recreation, culture and history and drew up a list of the advantages and disadvantages. By evaluating the area in the next phase from the standpoint of various factors (accessibility, access to the terrain, etc.) regarding the desired reference situation, we could clearly indicate where new access possibilities lie. Based on the results of the analysis and evaluation, in the third phase a concept was drawn up for each area, relating to how it could be made accessible. These different projects resulted in a rich dataset which is a unique source for managing the heritage and for further scientific research. This book brings together all the data and is the culmination of years of research. The photographs are an indispensable historical source showing the older forts and sconces and the Belgian defences dating from 1914 as well as the 1917 German defence line. The study of the images reveals what those positions actually looked like, how they were documented from the air, what elements the military works consisted of and, above all, their exact position in the modern-day landscape. With modern cartographic techniques the original line could be mapped in great detail. The GIS layer and the related databank are the ideal tools for a proactive heritage policy. It is our hope and expectation that such a policy will be developed quickly and that this book will serve as a robust foundation.
Wissenschaftler der Universität Gent entdeckten bei Nachforschungen im Königlichen Armeemuseum (Koninklijk Legermuseum – KLM) in Brüssel 2007 eine Reihe von 46 bisher noch unbekannten Luftaufnahmen. Die im Januar 1918 entstandenen Fotos sind deutschen Ursprungs. Sie wurden mit der Inschrift Kaiserliche Fortifikation Antwerpen gekennzeichnet und von dem bis dahin unbekannten Leutnant Zimmermann gemacht. Es war sofort klar, dass die Fotos eine reiche Quelle historischer Informationen darstellen. Im Rahmen des Projekts „Inventarisierung und Verarbeitung der Luftaufnahmen des Bestands Zimmermann” (Stichelbaut et al. 2009) wurde ab 2008 im Auftrag der Provinz Antwerpen der Fund gründlich analysiert, um alle darin enthaltenen Informationen zu erschließen. Die Analyse historischer Luftaufnahmen verläuft nach einem genau festgelegten Verfahren. Zuerst werden die Originalabzüge mit einer Auflösung von 400 DPI (dots per inch) gescannt und die Metadaten, d.h. die Angaben auf den Fotos (der Name des Fotografen, die Lage, das Datum und die Höhe, aus der die Aufnahme gemacht wurde), in eine gewöhnliche Datenbank eingegeben. Die nächsten, besonders wichtigen Schritte – die exakte Lokalisierung und die geografische Korrektur der Fotos – dienen dazu, sie so vertikal wie möglich auf eine Karte projizieren zu können. Bei der sogenannten Georektifizierung werden in einem geografischen Informationssystem (GIS) die historische Luftaufnahme und eine zeitgenössische topografische Karte im Maßstab 1:10.000 mit mindestens sechs Bodenkontrollpunkten versehen. In den meisten Fällen handelt es sich dabei um Eckpunkte von Gräben, Parzellengrenzen, Straßenkreuzungen oder um andere markante Punkte, die sowohl auf den alten Fotos als auch auf der modernen Karte zu erkennen sind. Mit Hilfe eines Softwareprogramms werden dann die X- und Y-Achse des Fotos unabhängig voneinander maßstabsgerecht eingegeben. Auf diese Weise erhält man ein Bild mit größtmöglicher Vertikalität, das zur Anfertigung von Karten mit den exakten Koordinaten der Relikte verwendet werden kann. Auf den Luftaufnahmen aus dem KLM sind allerlei Spuren zu erkennen, die aus dem 1. Weltkrieg stammen. Diese Spuren wurden im Rahmen der vorigen Studie (Stichelbaut 2011) gesichtet und interpretiert, mit ihren exakten Konturen zur weiteren Datenanalyse digital in eine gesonderte GIS-Schicht übertragen und danach in eine moderne topografische Karte projiziert. Auf diese Weise erhält man detaillierte Erkenntnisse im Bezug auf die Dichte, die unterschiedlichen Arten und die räumliche Anordnung der auf den Fotos erkennbaren Relikte aus dem 1. Weltkrieg. Die Luftaufnahme dient somit als Quelle, während die digitale Schicht in der GIS-Software als Arbeitsunterlage für weitere Studien verwendet wird. Aus der Studie geht hervor, dass auf den Fotos ein Teil der deutschen Verteidigungsanlagen entlang der belgischen Grenze zu sehen ist. Die deutsche Besatzungsmacht baute im 1. Weltkrieg aus Angst vor einem Angriff aus den neutralen Niederlanden entlang großer Teile der Grenze eine mit Bunkern und Schützengräben bewehrte Verteidigungslinie, die in der Provinz Antwerpen aus zwei Teilen bestand. Der Nordabschnitt der Linie verlief im Norden und Osten der Stadt Antwerpen von der Schelde bis Schoten und gehörte zur größeren Stellung Antwerpen, die einen Verteidigungsgürtel rund um die Stadt bildete. Er wurde in Schoten von der Turnhout-Kanalstellung fortgesetzt, die vom Kanal Dessel-Schoten bis nach Turnhout verlief und dort ab der „Oude Kom” eine halbkreisförmige Verteidigungslinie rund um die Stadt bildete, die in Corsendonck in Oud-Turnhout endete. Die entdeckten Luftaufnahmen dokumentieren den größten Teil der Anlagen: Der deutsche Pilot flog auf seinem Erkundungsflug über Zwijndrecht, Beveren, Antwerpen, Stabroek, Kapellen, Brasschaat, Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout und Oud-Turnhout. Es konnten über 530 militärische Verteidigungselemente identifiziert und auf einer aktuellen Karte lokalisiert werden. Sie sind sehr unterschiedlich und reichen von Schützengräben und Brustwehren über Bunker und Artillerieposten bis hin zu den Forts und Schanzen der äußeren Antwerpener Verteidigungslinie. 2012 tauchten in Kiste 25 des sogenannten Moskauarchivs des KLM weitere 39 Luftaufnahmen mit der Aufschrift „Zimmermann” auf, die an denselben Tagen gemacht wurden und Teil der bereits bekannten Serie waren. Jede Karteikarte enthält eine Interpretation der Fotos, zu der meistens auch eine detaillierte Skizze der fotografierten Verteidigungsanlagen gehört. 32 der 39 „Moskaubilder” waren bekannt und können als Duplikate betrachtet werden. 7 Aufnahmen sind neu und ergänzen somit die Sammlung. Die Gesamtzahl der wiedergefundenen Aufnahmen beträgt nun 53. Alle Fotos wurden auf dieselbe Weise analysiert. Im Moskauarchiv (Kiste 952) befanden sich außerdem viele deutsche und belgische Karten und Pläne der deutschen Verteidigungslinien im Norden und Osten Antwerpens und entlang des Kanals Dessel-Schoten. Wie viel der militärischen Infrastruktur des 1. Weltkrieges ist erhalten geblieben? Diese Frage war der Ausgangspunkt des Projekts „Zimmermann anno 2010. Inventarisierung und (Umfeld-) Analyse der überirdisch erhaltenen Relikte der Antwerpen-Turnhoutstellung aus dem 1. Weltkrieg” (Dossche et al. 2012). Die Analyse begann mit einer genauen Untersuchung der vorhandenen Unterlagen. Danach folgte eine gründliche Inventarisierung der überirdisch erhaltenen militärischen Verteidigungsanlagen vor Ort. Die gewonnenen Daten wurden in einer Datenbank gespeichert, ausgewertet und zu Kartenmaterial in einem geografischen Informationssystem (GIS) verarbeitet. In einer ersten Phase haben wir die historischen Unterlagen, d.h. die Fotos von Zimmermann selber und die Ergebnisse der Studie aus den Jahren 2008-2009 untersucht. Die kostenlosen Satellitenaufnahmen der Web-Applikation Google Earth verschafften uns einen ersten Eindruck in Bezug auf die Anzahl der erhalten gebliebenen Relikte. In einer zweiten Phase sammelten wir die bereits zur Verfügung stehenden Informationen über die Verteidigungslinien und die noch bestehenden Strukturen. Diese Daten wurden zur Vorbereitung der Feldarbeit in ein GIS eingegeben und dabei alle Karten und Fotos in ein und dasselbe Koordinatensystem übertragen. Auf diese Weise konnten wir sie gut vergleichen und den Ort der auf dem Foto erkennbaren Elemente schnell auf der zeitgenössischen Karte wiederfinden. Dazu mussten einige analoge Quellen digitalisiert und auf der Karte „begradigt” werden (scannen und georeferieren, mit dem Verfahren bei den Luftaufnahmen vergleichbar). Mit Hilfe dieses Verfahrens waren wir in der Lage, das vollständige Trajekt der Gebietsinventarisierung im Detail auszuarbeiten und vorzubereiten. In der letzten Phase haben wir eine effiziente Arbeitsweise entwickelt: Alle Fotos, Karten und Daten wurden für die Feldarbeit in ein iPad mit eingebautem Navigationsgerät eingegeben, das es uns ermöglichte, den genauen Ort der bekannten, aber größtenteils verschwundenen Überreste wiederzufinden. An diesen Orten haben wir dann eine genaue Inventarisierung durchgeführt. Auch alle historischen Daten und die Typenpläne der verschiedenen Bunkermodelle wurden in das iPad eingegeben, sodass wir alle notwendigen Informationen direkt vor Ort zur Verfügung hatten. Bei der Feldarbeit haben wir die Datenbank direkt ergänzt und extra Informationen auf Papier festgehalten. Die Feldarbeit selber bestand aus einer gründlichen Untersuchung der Gebiete, die die Luftaufnahmen abdecken. Die überirdisch erhaltenen Überreste des militärischen Erbes aus dem 1. Weltkrieg wurden bis in kleinste Detail inventarisiert. Mit Genehmigung der Eigentümer haben wir alle Parzellen, die jetzt in Wohngebieten, Wäldern, auf Äckern oder in Industriegebieten liegen, kontrolliert. Alle überirdisch erhaltenen Relikte erhielten eine individuelle Nummer (Z001, Z002 usw.). Die Überreste wurden mit einem Navigationsgerät mit einer Genauigkeit von 5 Metern lokalisiert, auf den digitalen Karten im iPad angegeben und im Detail fotografiert sowie auf Karteikarten und in der digitalen Datenbank beschrieben. Die gespeicherte Information besteht aus einer Beschreibung des Ortes und des Umfelds der Spuren (Koordinaten und textliche Beschreibung), einer Beschreibung der Relikte selber (siehe die nachfolgenden Kriterien) und einer Schätzung des Erhaltungszustandes. Beschreibung der Anlage: • Typ (detaillierte Typologie) • Textliche Beschreibung • Mögliche Datierung • Maße, überirdisch erhaltene Höhe • Ausrichtung (Lage der feindlichen Linie/ Schießscharte im Bezug auf den magnetischen Norden) • Baumaterialien • Anzahl der Eingänge, Gucklöcher und Schießscharten, eventuellen Panzertürme • Vorhandensein von Tarnung • Art der Ausführung (grob-fein) Lage und Umfeld: • Koordinaten • Gemeinde - Toponym • Umfeld und Erreichbarkeit Erhaltungszustand: • Allgemeine Einschätzung: schlecht bis hervorragend • Grad und Art des Bewuchses • Eingänge: verschlossen oder noch offen Die Suche nach der erhaltenen militärischen Infrastruktur und deren Analyse führte zu der überraschend großen Anzahl von 476 Relikten. Die Strukturen können in die nachfolgenden Typen unterteilt werden: • 399 Bunker, davon 8 versunkene (unterirdisch erhalten) und 4 überirdisch abgerissene, also 387 überirdisch erhaltene Bunker. Es konnten rund 20 verschiedene Typen erkannt und benannt werden; • 58 überirdisch erhaltene Schützengräben mit einer Länge von 10 bis mehreren 100 Metern (43 Gefechtsschützengräben, 13 Verbindungsgräben, 2 Annäherungsgräben); • 10 mit Erde aufgeschüttete Kasematten; • 5 mit Erde aufgeschüttete Brustwehren (der eventuell dazu gehörende Schützengraben ist nicht erhalten geblieben); • 4 unklare, nicht erkennbare Spuren. Ein Großteil der militärischen Relikte (400) gehörte zum sogenannten Nordabschnitt. Fast die Hälfte aller erhaltenen Anlagen liegt in Kapellen (197). In Brasschaat wurden 96 Überreste gefunden, in Stabroek 67 und in Schoten 40. Die Anlagen der Kanalverteidigung hatten eine geringere Dichte und sind weniger gut erhalten. Verteilt über Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout und Oud-Turnhout konnten noch 76 Anlagen gefunden werden. Die Anzahl, die Unterschiedlichkeit und der gute Erhaltungszustand der militärischen Elemente kennt in Belgien nicht seinesgleichen, was sie zu einem ganz besonderen Teil des militärischen Erbes macht. Vor allem das beeindruckende und gut erhaltene deutsche System von Schützengräben aus dem Jahr 1917 ist dabei von großer Bedeutung: Über 10 Kilometer Schützengräben befinden sich auch heute noch in einem hervorragenden Zustand. Diese Tatsache ist selbst auf europäischer Ebene eine Besonderheit. Auch aus der direkten Vorkriegszeit konnten einmalige Funde bedeutenden Erbes getätigt werden. Die 7 gut erhaltenen belgischen Bunker aus dem Jahr 1914 sind eine Seltenheit. Sie gehören zu den ältesten erhalten gebliebenen Betonschutzräumen unseres Landes. Im Rahmen der archäologischen Feldarbeit wurde auch das landschaftliche Umfeld untersucht. Die Untersuchungen sollten Einsicht in die Stabilität bzw. die Dynamik der Landschaft, in der sich die militärischen Überreste befinden (oder befanden), verschaffen und deren Einfluss auf die Relikte und deren Umgebung bestimmen. Bevor mit der Feldarbeit und der damit verbundenen Analyse begonnen werden konnte, musste zuerst das relevante Quellenmaterial analysiert werden: Literatur, fotografisches Material und die historischen Karten der Region. Auch hier kam nach dem Studium der Unterlagen die Feldarbeit an die Reihe, bei der die heutige Landschaft durch intensive Untersuchungen des Geländes inventarisiert wurde. Wir haben 128 Beobachtungspunkte besucht und 88 dieser Punkte systematisch auf Karteikarten beschrieben. Von 40 Punkten wurde nur ein Foto gemacht. Während der Feldarbeit haben wir pro Beobachtungspunkt eine allgemeine Beschreibung der Landschaft mit deren landschaftlichen Hauptstrukturen, der geomorphologischen Struktur, den wertvollen Elementen und charakteristischen Ansichten erstellt. Anschließend haben wir uns auf die Kriegsrelikte konzentriert: Wie sind sie in der Landschaft positioniert, wie sind sie zugänglich und erreichbar? Wir haben sowohl bei den Beobachtungspunkten selber als auch an den auf den Fotos abgelichteten Orten Aufnahmen von den sichtbaren Relikten aus dem 1. Weltkrieg gemacht. Es wurden außerdem Panoramafotos angefertigt, auf denen die militärischen Überreste deutlich in der Landschaft zu erkennen sind. Aus den aus der Literatur gewonnenen Informationen und der Beobachtung des Geländes haben wir eine das gesamte Gelände abdeckende Landschaftscharakterisierung erstellt. Über die Analyse des historischen, fotografischen und kartografischen Quellenmaterials konnten wir die landschaftliche Entwicklung und die Zeittiefe ermitteln. Wir haben dazu zuerst den Zustand des Geländes in 5 Zeiträumen aufgezeichnet: 1918, 1960, 1990, 2002-2003 und 2010, dann die verschiedenen Landschaftstypen für jede Periode gesondert kartografisch erfasst und danach eine Analyse der Landschaftsdynamik durchgeführt. Dabei wird die Nutzung des Geländes im Verlauf der Zeit untersucht. Auf diese Weise gelangt man zu Erkenntnissen in Bezug auf die Stabilität bzw. die Dynamik der Landschaft, in der sich die militärischen Relikte befinden. Die Zeitreihenanalyse von Luftaufnahmen aus den Jahren zwischen 1918 und 2010 führte zu Erkenntnissen im Bezug auf die Diversität der Landschaftsdynamik entlang der vollständigen fotografierten Linie. Die heutige Nutzung des Geländes scheint ein bedeutender Faktor für die Erkennbarkeit, den Erhaltungszustand und die Funktion der noch vorhandenen Anlagen zu sein. Es fällt auf, dass der größte Teil (65 %) der lokalisierten Relikte noch gut erhalten ist. Bunker findet man in allen heutigen Landschaftstypen, ganz gleich, welchen Veränderungen diese unterworfen waren. Systeme von Schützengräben scheinen weniger resistent gegenüber landschaftlichen Veränderungen zu sein, wie bspw. der zunehmenden Erschließung des Geländes für Wohnraum und Industrie oder der Erweiterung des landwirtschaftlichen Nutzraums. In einigen Waldgebieten wie dem Mastenbos, dem Wolvenbos, dem Uitlegger in Kapellen und rings um das Fort von Schoten blieben jedoch ansehnliche Überreste der Schützengrabensysteme gut erhalten. Ausgehend von der archäologischen Inventarisierung, der Landschaftsanalyse der heutigen Landschaftsnutzung und den visuellen Merkmalen der verschiedenen Teilgebiete konnten die Stärken, Möglichkeiten und Bedrohungen der militärischen Relikte und ihres landschaftlichen Umfelds bestimmt werden. Die Suche nach den Möglichkeiten und Problempunkten führte zur Bildung eines in der Hauptsache auf zwei strategischen Zielen beruhenden Plans: (1) Erhalt und Sicherung; (2) Erschließung des militärischen und landschaftlichen Erbes. Der Plan und die dazu gehörende kartografische Ausarbeitung stellen die Möglichkeiten dar, formulieren die Zielsetzungen, bieten einen Rahmen für künftige Entwicklungen und geben an, welche Maßnahmen getroffen werden müssen, um die gewünschten Ziele zu erreichen. Das zum europäischen „Interreg IV A - 2 Meereprogramm“ gehörende Projekt Great War between the lines bot 2012 die Möglichkeit zur Durchführung einer Folgestudie. Im Rahmen des Projekts „Erschließungsmöglichkeiten des militärischen Erbes der Antwerpen-Turnhoutstellung” (Verplaetse et al. 2012) mussten für drei speziell ausgewählte Teilgebiete der Verteidigungslinie Vorschläge im Bezug auf die Erhaltung und Erschließung des Erbes eingereicht werden. Das Projekt war auf Teilgebiete ausgerichtet, die sich jeweils in einem ganz spezifischen landschaftlichen Umfeld befanden: dem landschaftlich genutzten Bereich im Norden des Dorfkerns von Stabroek, dem Mastenbos in Kapellen und der von Schoten bis Turnhout verlaufenden industrialisierten und als Wohngebiet genutzten Kanalzone. Die Ausarbeitung der Detailstudie fand in drei Phasen statt. Zuerst wurde das heutige touristische, Freizeit- und kulturhistorische Angebot eines jeden Teilgebiets aufgezeichnet und unter Berücksichtung aller Vor- und Nachteile analysiert. Danach fand im Hinblick auf die gewünschte Referenzsituation eine Beurteilung verschiedener Faktoren des jeweiligen Geländes wie Erreichbarkeit, Erschließung des Gebiets usw. statt. Mit Hilfe der daraus gewonnen Erkenntnisse konnten wir deutlich angeben, wo sich neue Erschließungsmöglichkeiten boten. Auf der Grundlage der Ergebnisse der Analyse und der Beurteilung wurde in einer dritten Phase für jedes Teilgebiet ein Konzept erarbeitet, das der Erschließung des Gebiets als Ausgangspunkt dient. Alle diese Projekte führten zu einem umfangreichen Datenbestand, der sowohl für die Verwaltung des Gebiets als auch für weitere wissenschaftliche Untersuchungen eine einzigartige Quelle darstellt. In diesem Buch, das den Abschluss jahrelanger Untersuchungen bildet, werden alle Daten zusammengeführt. Die Fotos stellen eine bedeutende historische Quelle dar, auf der sowohl die älteren Forts und Schanzen sowie die belgische Verteidigungsanlagen aus dem Jahr 1914 als auch die deutsche Verteidigungslinie aus dem Jahr 1917 zu erkennen sind. Aus Untersuchungen des Bildmaterials geht hervor, wie die Stellungen in Wirklichkeit ausgesehen haben, wie sie aus der Luft dokumentiert wurden, aus welchen Elementen die militärischen Anlagen bestanden und wo sie sich in der heutigen Landschaft genau befinden. Mit modernen kartografischen Methoden und Techniken konnte die ursprüngliche Verteidigungslinie bis ins kleinste Detail aufgezeichnet werden. Die GIS-Schicht und die dazu gehörende Datenbank sind ideale Arbeitsinstrumente für eine proaktive Politik zur Bewahrung dieses Erbes. Wir erhoffen und erwarten eine zügige Ausarbeitung der entsprechenden Maßnahmen und sind davon überzeugt, dass dieses Buch dafür ein solides Fundament darstellt.
Keywords
luchtfotografie, WWI, WO I, Groote Oorlog, archaeology, landscape research, Eerste Wereldoorlog, bewaard erfgoed, fortengordel Antwerpen, lanschapsonderzoek, aerial photography, fortifications of Antwerp, archaeology, archeologie, Great War, preserved heritage, First World War

Downloads

  • Gheyle-Bourgeois 2013 VergetenLinies titelblad-colofon-inhoud.pdf
    • full text
    • |
    • open access
    • |
    • PDF
    • |
    • 2.54 MB

Citation

Please use this url to cite or link to this publication:

Chicago
Gheyle, Wouter, and Bourgeois Ignace, eds. 2013. “Vergeten Linies: Antwerpse Bunkers En Loopgraven Door De Lens Van Leutnant Zimmermann (1918).” Streekgericht. Antwerpen: Provinciebestuur Antwerpen.
APA
Gheyle, Wouter, & Ignace, B. (Eds.). (2013). Vergeten linies: Antwerpse bunkers en loopgraven door de lens van Leutnant Zimmermann (1918). Streekgericht. Antwerpen: Provinciebestuur Antwerpen.
Vancouver
1.
Gheyle W, Ignace B, editors. Vergeten linies: Antwerpse bunkers en loopgraven door de lens van Leutnant Zimmermann (1918). Streekgericht. Antwerpen: Provinciebestuur Antwerpen; 2013.
MLA
Gheyle, Wouter, and Bourgeois Ignace, eds. “Vergeten Linies: Antwerpse Bunkers En Loopgraven Door De Lens Van Leutnant Zimmermann (1918).” Streekgericht 2013 : n. pag. Print.
@book{5706145,
  abstract     = {Onderzoek van de Universiteit Gent in het Koninklijk Legermuseum (KLM) in Brussel bracht in 2007 een reeks van 46 onbekende luchtfoto{\textquoteright}s aan het licht. De foto{\textquoteright}s dateren van januari 1918 en zijn van Duitse origine. Ze dragen het opschrift Kaiserliche Fortifikation Antwerpen en werden genomen door de tot dan toe onbekende luitenant Zimmermann. Het was direct duidelijk dat de foto{\textquoteright}s een schat aan historische informatie bevatten. Het provinciebestuur van Antwerpen liet ze grondig analyseren om er zo veel mogelijk informatie uit te halen. Dat gebeurde vanaf 2008 in het project {\textquoteleft}Inventarisatie en verwerking van het luchtfotografisch fonds {\textquoteleft}Zimmermann{\textquoteright}{\textquoteright} (Stichelbaut et al. 2009).
Een dergelijke analyse van historische luchtfoto{\textquoteright}s verloopt volgens een vast stramien. Allereerst scannen we de originele contactafdrukken met een resolutie van 400 dpi (dots per inch). De metadata (gegevens op de foto zoals de naam van de fotograaf, ligging, datum en hoogte van de opname) voeren we in in een eenvoudige databank. De volgende, uiterst belangrijke stappen zijn het terugvinden van de exacte lokalisatie van de foto{\textquoteright}s en het geografisch corrigeren van de foto{\textquoteright}s zodat ze zo verticaal mogelijk op een kaart kunnen worden geprojecteerd. Dat zogenaamde georectificeren bestaat uit het aanduiden van minstens zes grondcontrolepunten op de historische luchtfoto en op de hedendaagse topografische kaart met schaal 1:10.000. Dat gebeurt in een geografisch informatiesysteem (GIS). In de meeste gevallen zijn die controlepunten hoeken van grachten en perceelgrenzen, kruispunten van wegen, of andere punten die zowel op de oude foto als op de hedendaagse kaart te herkennen zijn. Via de software worden de X- en Y-as van de foto onafhankelijk van elkaar geschaald. Zo krijgen we een zo verticaal mogelijk beeld, dat gebruikt kan worden om kaarten te maken met de exacte aanduiding van de relicten. Op de luchtfoto{\textquoteright}s uit het KLM zijn allerlei sporen te zien die dateren uit de Eerste Wereldoorlog. Ze werden herkend en ge{\"i}nterpreteerd op basis van vorig onderzoek (Stichelbaut 2011). De exacte contouren van de sporen worden vervolgens digitaal overgetekend in een aparte GIS-laag, waardoor ze geanalyseerd kunnen worden. Ten slotte worden de sporen geprojecteerd op een moderne topografische kaart. Op die manier verkrijgen we een gedetailleerd inzicht in de densiteit, de diversiteit en de ruimtelijke verspreiding van de op de foto herkende relicten uit de Eerste Wereldoorlog. De luchtfoto is dus de bron. De digitale laag in de GIS-software is het werkdocument voor verdere studie.
Het onderzoek toonde aan dat de fotoreeks een deel van de Duitse verdediging langs de Belgisch-Nederlandse grens afbeeldt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwde de Duitse bezetter, uit vrees voor een aanval vanuit het neutrale Nederland, een verdedigingslinie van bunkers en loopgraven langs grote delen van de grens. In de provincie Antwerpen bestond die verdediging uit twee verschillende delen. De Nordabschnitt vormde het deel van de linie ten noorden en oosten van de stad Antwerpen, van de Schelde tot Schoten, en was deel van de grotere Stellung Antwerpen, de verdedigingsgordel rond de stad. In Schoten volgde de Turnhout-Kanalstellung het trac{\'e} van het kanaal Dessel-Schoten tot in Turnhout. Vanaf de {\textquoteleft}Oude Kom{\textquoteright} in Turnhout vormde ze een halve kringstelling rond de stad, eindigend in Corsendonck in Oud-Turnhout. De gevonden luchtfoto{\textquoteright}s documenteren het grootste deel van die stellingen: op zijn verkenningsvlucht vloog de Duitse piloot over Zwijndrecht, Beveren, Antwerpen, Stabroek, Kapellen, Brasschaat, Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout en Oud-Turnhout. Meer dan 530 militaire verdedigingselementen werden ge{\"i}dentificeerd en gelokaliseerd op een actuele kaart. De variatie aan verdedigingselementen is groot, van loopgraven en borstweringen, over bunkers en artillerieposten, tot de forten en schansen van de Antwerpse buitenlinie. 
In 2012 doken 39 luchtfotofiches met het opschrift {\textquotedblleft}Zimmermann{\textquotedblright} op in doos 25 van het zogenaamde Moskouarchief van het KLM. Ze bleken genomen te zijn op dezelfde data en maken deel uit van de reeds bekende reeks. Iedere fiche bevat ook een interpretatie van de foto{\textquoteright}s, meestal met een gedetailleerde schets van de gefotografeerde verdedigingswerken. 32 van de 39 {\textquoteleft}Moskoubeelden{\textquoteright} waren bekend en kunnen dus als dubbels beschouwd worden. 7 beelden zijn nieuw en vormen dus een aanvulling op de collectie. Het totale aantal teruggevonden beelden kwam zo op 53. Alle foto{\textquoteright}s werden op dezelfde manier geanalyseerd. Verder zaten in het Moskouarchief (doos 952) tal van Duitse en Belgische kaarten en plannen van de Duitse verdedigingswerken ten noorden en oosten van Antwerpen en langs het kanaal Dessel-Schoten.
Hoeveel is bewaard gebleven van die militaire infrastructuur uit de Eerste Wereldoorlog? Dat was de vraag die aan de basis lag van het project {\textquoteleft}Zimmermann anno 2010. Inventarisatie en (omgevings)analyse van bovengronds bewaarde WO I-relicten van de Antwerpen-Turnhoutstellung{\textquoteright} (Dossche et al. 2012). Die analyse begon met een bureauonderzoek, gevolgd door een grondige inventarisatie op het terrein van de bovengronds bewaarde militaire verdedigingselementen. De gegevens werden ge{\"i}ntegreerd in een databank en resulteerden in kaartmateriaal in een geografisch informatiesysteem (GIS).
In een eerste fase van het bureauonderzoek bekeken we de historische gegevens, de Zimmermann-foto{\textquoteright}s zelf en de resultaten van de studie uit 2008-2009. De gratis satellietbeelden van de web-applicatie Google Earth gaven een eerste idee van het aantal bewaarde relicten. In een tweede fase verzamelden we de reeds beschikbare informatie over de linies en de nog bestaande structuren. Die gegevens werden ter voorbereiding van het veldwerk ge{\"i}mporteerd in een GIS, waarbij alle kaarten en foto{\textquoteright}s in hetzelfde co{\"o}rdinatensysteem werden gezet. Zo konden we ze op een eenvoudige manier vergelijken en de locatie van de op de foto zichtbare elementen vlot op de hedendaagse kaart terugvinden. Enkele analoge bronnen moesten daarvoor gedigitaliseerd worden en op de kaart {\textquoteleft}rechtgetrokken{\textquoteright} worden (scannen en georefereren, vergelijkbaar met het proces van de luchtfoto{\textquoteright}s). Op die manier konden we het volledige traject van de terreininventarisatie in detail uitstippelen en voorbereiden. In de laatste fase ontwikkelden we een effici{\"e}nte werkwijze: voor het terreinwerk werden alle foto{\textquoteright}s, kaarten en gegevens op een iPad met ingebouwd gps gezet. Zo konden we de exacte locatie van de bekende, maar grotendeels verdwenen resten terugvinden. Op die locaties werd dan een gedetailleerde inventarisatie uitgevoerd. Ook alle historische gegevens en de typeplannen van de verschillende bunkermodellen werden op de tabletcomputer gezet, zodat we ze op het terrein direct konden raadplegen. Tijdens het veldwerk vulden we de databank rechtstreeks aan. Extra informatie werd op papier genoteerd.
Het terreinwerk zelf bestond uit een grondig onderzoek van de gebieden die door de luchtfoto{\textquoteright}s worden bedekt. De bovengronds bewaarde restanten van het militaire erfgoed van de Eerste Wereldoorlog werden gedetailleerd ge{\"i}nventariseerd. Met toestemming van de eigenaars controleerden we alle percelen, of die nu in woonwijken, bossen, akkers of industriegebied lagen. De bovengronds bewaarde relicten kregen een uniek nummer (Z001, Z002 enzovoort). De restanten werden gelokaliseerd met een gps-toestel met een nauwkeurigheid van vijf meter, aangeduid op de digitale kaarten op de iPad, en in detail gefotografeerd en beschreven aan de hand van inventarisfiches en de digitale databank. De informatie bestaat uit een beschrijving van de locatie en context van de sporen (co{\"o}rdinaten en tekstuele beschrijving), een beschrijving van de monumenten zelf (zie criteria hieronder) en een inschatting van de bewaringstoestand.
Beschrijving van het monument:

{\textbullet}\unmatched{0009}Type (uitgebreide typologie)
{\textbullet}\unmatched{0009}Tekstuele beschrijving
{\textbullet}\unmatched{0009}Mogelijke datering
{\textbullet}\unmatched{0009}Afmetingen, bovengronds bewaarde hoogte
{\textbullet}\unmatched{0009}Ori{\"e}ntatie (richting vijandelijke zijde/schietgat t.o.v. magnetisch noorden)
{\textbullet}\unmatched{0009}Bouwmaterialen
{\textbullet}\unmatched{0009}Aantal ingangen, kijk- en schietgaten, eventuele pantserkoepels
{\textbullet}\unmatched{0009}Aanwezigheid van camouflage
{\textbullet}\unmatched{0009}Graad van afwerking (ruw-fijn)

Locatie en context:

{\textbullet}\unmatched{0009}Co{\"o}rdinaten
{\textbullet}\unmatched{0009}Gemeente - toponiem
{\textbullet}\unmatched{0009}Context en bereikbaarheid

Bewaringstoestand:

{\textbullet}\unmatched{0009}Algemene inschatting: slecht tot uitstekend
{\textbullet}\unmatched{0009}Graad en aard van begroeiing
{\textbullet}\unmatched{0009}Ingangen: dichtgemaakt of nog open


De zoektocht naar en analyse van de bewaarde militaire infrastructuur leverde 476 relicten op. Dat is verrassend veel. De structuren kunnen onderverdeeld worden in de volgende types:
{\textbullet}\unmatched{0009}399 bunkers, waarvan er 8 verzonken zijn (ondergronds bewaard) en 4 bovengronds afgebroken, dus 387 bovengronds bewaarde bunkers. Een twintigtal verschillende types werden herkend en benoemd; 
{\textbullet}\unmatched{0009}58 stukken bovengronds bewaarde loopgraaf met een lengte van 10 meter tot een paar honderd meter (43 stukken gevechtsloopgraaf, 13 verbindingsloopgraven, 2 naderingsloopgraven);
{\textbullet}\unmatched{0009}10 aarden kazematten;
{\textbullet}\unmatched{0009}5 aarden borstweringen (waarvan de eventuele bijbehorende loopgraaf niet bewaard is);
{\textbullet}\unmatched{0009}4 onbepaalde, niet te herkennen sporen.

De meeste militaire resten (400) maken deel uit van de zogenaamde Nordabschnitt. Bijna de helft van de bewaarde structuren ligt in Kapellen (197). Brasschaat telt 96 relicten, Stabroek 67 en Schoten 40. De kanaalverdediging had een kleinere dichtheid en de restanten zijn er minder goed bewaard. Verspreid over Schoten, Brecht, Rijkevorsel, Beerse, Turnhout en Oud-Turnhout werden 76 structuren aangetroffen.
De hoeveelheid, de diversiteit en de goede bewaringstoestand van de militaire elementen zijn uniek voor Belgi{\"e} en maken van het geheel een uitzonderlijk stuk militair erfgoed. Vooral het goed bewaarde en indrukwekkende Duitse loopgravensysteem uit 1917 is belangrijk: meer dan tien kilometer loopgraven zijn uitstekend bewaard gebleven. Dat is zelfs op Europees vlak uitzonderlijk. Ook uit de fase juist v{\'o}{\'o}r de oorlog is uniek erfgoed teruggevonden. Uiterst zeldzaam is een reeks van zeven goed bewaarde Belgische bunkers uit 1914. Ze behoren tot de oudste bewaarde betonnen schuilplaatsen in ons land. 
Gekoppeld aan het archeologische terreinwerk werd ook de landschappelijke context onderzocht. Dat onderzoek had als doel inzicht te verkrijgen in de stabiliteit of de dynamiek van het landschap waarin de militaire relicten zich bevinden (of bevonden) en het bepalen van de invloed daarvan op de relicten zelf en op de omgeving. 
Vooraleer het terreinwerk en de daaraan verbonden analyse kon beginnen, werd het relevante bronmateriaal geanalyseerd: literatuur, fotografisch materiaal en historische kaarten van de regio. Ook hier kwam na het bureauonderzoek het terrein zelf aan bod. Het huidige landschap werd door intensieve terreinobservaties ge{\"i}nventariseerd. We bezochten 128 observatiepunten waarvan er 88 systematisch werden beschreven aan de hand van een fiche. Van 40 namen we enkel een foto. Tijdens het terreinwerk werd per observatiepunt een algemene landschappelijke beschrijving gemaakt met de landschappelijke hoofdstructuren, de geomorfologische structuur, de waardevolle elementen en karakteristieke zichten. Voorts werd gefocust op de oorlogsrelicten: hoe zijn ze in het landschap gepositioneerd en wat is hun toegankelijkheid en bereikbaarheid? Zowel bij de observatiepunten zelf als bij de fotolocaties werden foto{\textquoteright}s gemaakt van de zichtbare relicten uit de Eerste Wereldoorlog. Ook werden panoramafoto{\textquoteright}s gemaakt waarop de militaire relicten duidelijk in het landschap herkenbaar zijn.
Met de informatie uit de literatuur en de terreinobservatie maakten we een gebiedsdekkende landschapskarakterisering. Via de analyse van historisch, fotografisch en cartografisch bronmateriaal bepaalden we de landschappelijke evolutie en de tijdsdiepte. Eerst werd de situatie van het gebied in vijf periodes in kaart gebracht, met name in 1918, 1960, 1990, 2002-2003 en 2010. Per periode werden de verschillende landschapstypes gekarteerd. Ten tweede voerden we een analyse uit van de landschapsdynamiek. Daarbij wordt het landgebruik doorheen de tijd onderzocht. Op die manier verkrijgen we inzicht in de stabiliteit of dynamiek van het landschap waarin de militaire relicten gelegen zijn. 
Op basis van een tijdreeksanalyse van luchtfoto{\textquoteright}s tussen 1918 en 2010 kregen we inzichten in de diversiteit van de landschapsdynamiek langs de volledige gefotografeerde linie. Het huidige landgebruik blijkt een bepalende factor voor de huidige herkenbaarheid, de bewaringstoestand en de functie van de nog aanwezige relicten. Het is opvallend dat het grootste deel (65\%) van de gelokaliseerde relicten goed bewaard is. Bunkers zijn terug te vinden in alle huidige landschapstypes, ongeacht de veranderingen die ze doorgemaakt hebben. Loopgravensystemen bleken minder resistent tegen landschappelijke veranderingen zoals de toename van residenti{\"e}le bebouwing, industri{\"e}le activiteiten of schaalvergroting van de landbouw. Belangrijke relicten van de loopgravensystemen zijn wel mooi bewaard in een aantal bosgebieden, zoals het Mastenbos, het Wolvenbos en de Uitlegger in Kapellen, of rond het fort van Schoten.
Op basis van de archeologische inventaris van de militaire relicten, de landschappelijke analyse van het huidige landgebruik en visuele kenmerken van verschillende deelgebieden, kunnen de sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen worden opgesomd met betrekking tot de militaire relicten en hun landschappelijke context. De zoektocht naar de potenties en knelpunten vormde de basis van een visievorming, geconcentreerd rond twee strategische doelstellingen: (1) behouden en vrijwaren en (2) ontsluiten van het militaire en landschappelijke erfgoed. De visie en bijbehorende cartografische voorstelling geven de mogelijke keuzes weer. Ze formuleert duidelijke doelstellingen, suggereert mogelijkheden voor toekomstige ontwikkelingen en duidt aan met welke maatregelen we die kunnen bereiken.
Het Europese project {\textquoteleft}Great War between the lines{\textquoteright}, deel van het Europese {\textquoteleft}Interreg IV A - 2 Zee{\"e}nprogramma{\textquoteright}, bood in 2012 de kans om een vervolgonderzoek uit te voeren. In het project {\textquoteleft}Ontsluitingsmogelijkheden van het militaire erfgoed van de Antwerpen-Turnhoutstellung{\textquoteright} (Verplaetse et al. 2012) moesten voor drie specifiek gekozen deelgebieden van de linie inrichtingsvoorstellen over bewaring en ontsluiting van het erfgoed voorgesteld worden. Het project focuste op deelgebieden, elk in een specifieke landschappelijke omgeving: het agrarische landschap ten noorden van de dorpskern van Stabroek, het Mastenbos in Kapellen en de ge{\"i}ndustrialiseerde en residenti{\"e}le kanaalzone van Schoten tot Turnhout. Voor de uitwerking van die detailstudie werd in drie fasen gewerkt. Allereerst werd het huidige toeristische, recreatieve en cultuurhistorische aanbod van elk deelgebied in kaart gebracht en geanalyseerd, waarbij de plus- en minpunten werden opgelijst. Door het gebied in een volgende fase voor verschillende factoren (bereikbaarheid, ontsluiting op het terrein {\textellipsis}) te evalueren ten opzichte van een gewenste referentiesituatie, konden we duidelijk aangeven waar zich nieuwe ontsluitingsmogelijkheden voordoen. Op basis van de resultaten uit de analyse en evaluatie werd voor elk deelgebied in de derde fase een concept opgesteld, dat beschouwd wordt als de invalshoek voor het uitwerken van de ontsluiting van het gebied.
Deze verschillende projecten resulteerden in een rijke dataset die zowel voor het beheer van het erfgoed als voor verder wetenschappelijk onderzoek een unieke bron is. Dit boek brengt alle gegevens samen en vormt het sluitstuk van jarenlang onderzoek. De foto{\textquoteright}s zijn een onmiskenbare historische bron waarop we zowel de oudere forten en schansen en de Belgische verdediging uit 1914 als de Duitse verdedigingslijn uit 1917 kunnen herkennen. De studie van de beelden toont aan hoe die stellingen er in werkelijkheid uitzagen, hoe ze vanuit de lucht gedocumenteerd werden, uit welke elementen de militaire werken bestonden en, bovenal, hun exacte positie in het huidige landschap. Met moderne cartografische technieken kon de oorspronkelijke linie tot in de kleinste details in kaart worden gebracht. De GIS-laag en de bijbehorende databank zijn de ideale werkinstrumenten voor een proactief erfgoedbeleid. Het is onze hoop en verwachting dat een dergelijk beleid spoedig wordt ontplooid en dat dit boek daarbij als stevig fundament zal dienen.},
  editor       = {Gheyle, Wouter and Ignace, Bourgeois},
  keyword      = {luchtfotografie,WWI,WO I,Groote Oorlog,archaeology,landscape research,Eerste Wereldoorlog,bewaard erfgoed,fortengordel Antwerpen,lanschapsonderzoek,aerial photography,fortifications of Antwerp,archaeology,archeologie,Great War,preserved heritage,First World War},
  language     = {dut},
  pages        = {280 + 212},
  publisher    = {Provinciebestuur Antwerpen},
  series       = {Streekgericht},
  title        = {Vergeten linies: Antwerpse bunkers en loopgraven door de lens van Leutnant Zimmermann (1918)},
  year         = {2013},
}