Advanced search
2 files | 11.04 MB Add to list

Au Coeur de la Cour: een analyse van de organisatie en het personeel van de griffie van de Raad van Vlaanderen (1386-1795)

Joke Verfaillie (UGent)
(2014)
Author
Promoter
(UGent) and (UGent)
Organization
Abstract
Het voorliggende proefschrift behandelt de griffie van de Raad van Vlaanderen (1386-1795), de hoogste justitieraad van het voormalige graafschap Vlaanderen. Bij wijze van centrale vraag wordt op zoek gegaan naar bevestiging of ontkrachting van een hypothese. De griffie van een vroegmoderne justitieraad kan immers, naar analogie met moderne griffies, worden beschouwd als het zenuwcentrum van alle administratieve activiteiten. De griffiers of zogenoemde ‘schrijvers’, die aan het hoofd van die dienst stonden, bevonden zich in een centrale positie tussen de overige groepen medewerkers van de Raad én waren doorgaans betrokken bij het brede spectrum aan taken van de instelling. Er kan dus worden verondersteld dat zij hun stempel niet alleen op de archiefvorming, maar mogelijk ook op de werking van de Raad in zijn geheel hebben gedrukt. Uitzoeken of zij in staat waren zo’n invloed uit te oefenen en of zij dat ook effectief hebben gedaan, vormt met andere woorden de historische doelstelling van het onderzoek. Omdat dit proefschrift het resultaat is van een onderzoeksproject dat in het Rijksarchief te Gent werd opgestart, heeft het ook een archivistische doelstelling. Inzicht in de werking van de griffie levert logischerwijze nieuwe elementen op over de archiefvorming van de Raad en, bijgevolg, over de vormgeving van zijn omvangrijke archiefbestand, dat in het Rijksarchief te Gent wordt bewaard. Het is dan ook de bedoeling om die verworven inzichten later te vertalen naar de hedendaagse archiefgebruikers toe en hen een inkijk te bieden in de gebruiksmogelijkheden van het bestand. Met de historische en de archivistische doelstelling wordt aansluiting gezocht bij enkele hedendaagse onderzoekslijnen die in institutionele, (rechts)historische en archivistische studies voorkomen. Het gaat, met name, hoofdzakelijk om de hernieuwde aandacht voor (gerechtelijke) instellingen uit de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd, voor de minder bekende actoren binnen het domein van justitie en voor de rol van de ‘schrijvers’ binnen ancien-régimeinstellingen. Het onderzoek wordt aan de hand van twee deelvragen gevoerd. Wie waren deze griffiers, waarvan vermoed wordt dat het topambtenaren waren? En hoe werkte hun dienst, zowel intern als in het geheel van de Raad? Voor de beantwoording van beide vragen wordt een langetermijnvisie gehanteerd, over de volledige werkingsperiode van de instelling heen. Daarenboven wordt zoveel mogelijk op het archief van de Raad van Vlaanderen zelf gesteund, met uitzondering van het archief van enkele centrale instellingen (hoofdzakelijk collaterale raden). Dit houdt uiteraard verband met de archivistische doelstelling, waarbij het van primordiaal belang was om het desbetreffende archiefbestand zo goed mogelijk te leren kennen. Dit proefschrift vormt dan ook, als het ware, een microstudie die over één dienst van een instelling handelt. Door het gebruik van een onderzoeksperiode die als longue durée kan worden beschouwd, was het noodzakelijk om in beide onderzoeksdelen toch thematische keuzes te maken. Enkele ‘Inleidende beschouwingen’ bieden vooreerst wat achtergrondinformatie over de geschiedenis van de Raad van Vlaanderen, de bevoegdheden en de samenstelling van de instelling. Voor een beter begrip van de latere uiteenzetting over werkprocessen wordt tevens een korte beschrijving van de werkomgeving van de Raad gegeven, gebaseerd op de werksituatie in de voornaamste residentie van de instelling (i.c. het Gentse Gravensteen). In het daaropvolgende historiografische overzicht komen hoofdzakelijk de Zuidelijke Nederlanden in beeld; daarnaast wordt een beknopt internationaal perspectief geboden. Dit overzicht dient vervolgens als kader om de probleemstelling te formuleren en de gehanteerde methode toe te lichten. ‘Deel I: De griffie’ bevat de onderzoeksresultaten over de griffie als corpus. Het is opgesteld vanuit drie invalshoeken. Een inleidend hoofdstuk behandelt ‘schrijversdiensten’ in het algemeen en de aanloop naar (het ontstaan van) de griffie van de Raad in het bijzonder. In het tweede hoofdstuk komt het eigenlijke voorwerp van onderzoek in beeld. Het behandelt de evolutie van de samenstelling van de griffie en stelt de vraag of deze evolutie het resultaat was van een organisch groeiproces of van sturing ˗ en zo ja, door wie? In het derde hoofdstuk worden de werkprocessen en de taakverdeling van de griffie geanalyseerd, aan de hand van de moderne wet op het griffiersambt (17 februari 1997). Die wet benadrukt de dualiteit van de functie, namelijk dat griffiers uiteraard griffietaken op zich nemen, maar dat ze ook gerechtelijke taken hebben waarmee ze de rechters bijstaan. Die leidraad blijkt uitstekend toepasbaar te zijn op de griffie uit het ancien régime, waardoor enkele verrassende vaststellingen kunnen worden gedaan. Daarnaast wordt in dit Deel 1 ook de vraag gesteld naar de evolutie van de werklast van de Raad, wat kan worden geëxtrapoleerd naar het werkvolume dat de griffie als administratief centrum te verwerken kreeg. In ‘Deel II: De griffiers’ komen de identificatie en het profiel van de griffiers aan bod. Dit gebeurt aan de hand van een prosopografische analyse, of dus de methode waarbij een selectie van persoonsgegevens wordt gebundeld tot een collectieve biografie. Deze methode wordt veeleer pragmatisch toegepast, omdat het prosopografische onderzoek in dit proefschrift geen doel op zich vormt. De resultaten ervan worden gebruikt om de tweede deelvraag te beantwoorden: kan aan de hand van het profiel van de griffiers worden ingeschat of ze in staat waren om effectief invloed uit te oefenen op de werking van de Raad? Dit onderzoeksdeel levert in feite twee eindproducten op, namelijk een reeks biografische notities die per griffier werden opgesteld en samen het ‘biografische woordenboek’ als bijlage (band 2) vormen, en de statistische verwerking van die notities in het tweede deel van het eigenlijke proefschrift. De systematische opstelling van de notities onthult welke vragenlijst op de onderzoekspopulatie werd toegepast (personalia, loopbaan, afkomst, schoonfamilie, kinderen, bezittingen, opmerkingen en aanvullende bronnen). In de statistische verwerking wordt de onderzoekspopulatie eerst kort voorgesteld. Daarna komen drie thema’s aan bod. Het hoofdstuk kennisachtergrond belicht gegevens over scholing en biedt enkele indicaties over het kennisniveau van de griffiers. Carrièreverloop behandelt de volledige loopbaan van de griffiers, inclusief de periode voor en na hun griffiersambt. In het hoofdstuk leefwereld wordt tot slot de vraag gesteld naar hun geografische en familiale afkomst, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan schoonfamilie. Dit leidt tot de identificatie van enkele welomschreven familieclusters binnen de onderzoekspopulatie. Beroepsgegevens over verscheidene van hun verwanten worden daarenboven samengevoegd, wat finaal een beeld oplevert van de professionele opgang van de griffiers en hun familie. Op grond van beide onderzoeksdelen kan de centrale vraag binnen dit proefschrift positief worden beantwoord. Vanuit de verantwoordelijkheden die hen waren toegekend, de assisterende gerechtelijke rol die zij zichzelf steeds meer gingen toebedelen en die ze ook toebedeeld kregen, en op basis van hun competentieprofiel en hun sociale / familiale netwerken, waren de griffiers wel degelijk in staat om invloed uit te oefenen op de werking van de Raad. Zij deden dat ook, binnen de relatief grote marge die hen op organisatorisch vlak in instructies, resoluties en voorwaarden bij benoeming impliciet werd toegekend, of die ze desnoods zelf opzochten. De sporen daarvan zijn door het huidige archiefbestand van de Raad van Vlaanderen heen duidelijk te merken aan de manier waarop het kernarchief van de instelling is gegroeid en/of geconstrueerd. Met andere woorden, dankzij een (rechts)historisch-archivistische benaderingswijze verschaft dit proefschrift nieuwe inzichten in de archiefvorming en de medewerkers van de Raad, de werking van de instelling en ˗ bij uitbreiding ˗ de werking van justitieraden in het algemeen. Het socio-professionele profiel van de griffiers, die in het verleden vaak tot het ‘lagere personeel’ werden gerekend, moet dan ook worden bijgesteld. Daarnaast kan in dit onderzoek, dat wegens de initiële opzet nauwelijks comparatieve elementen bevat, aansluiting worden gevonden bij diverse onderzoekslijnen die historiografisch actueel zijn. In de conclusies verwijzen wij onder meer naar de studie van vroegmoderne administratieve elites of de zogenoemde ambtenarenklasse; onderzoek naar bureaucratiserings- en specialiseringsprocessen; het domein van de kwantitatieve rechtspraakgeschiedenis; en de ondertussen klassiek geworden analyse van staatsvormings- en centraliseringsprocessen ˗ de invalshoek die in het verleden het meest werd toegepast bij het bestuderen van de Vlaamse justitieraad. Toekomstige, nieuwe onderzoeksvragen betreffen hoofdzakelijk een sociaal-economische invalshoek, een focus op de 18de eeuw en de noodzaak van comparatief onderzoek over verschillende justitieraden heen.
The present thesis discusses the registry office of the Council of Flanders (1386-1795), which was the highest council of justice in the former county of Flanders. The central question is about confirming or denying a hypothesis. Like modern registry offices, the registry office of an early modern council of justice can, indeed, be considered as the nerve centre of all administrative activities. The registrars or so-called ‘writers’ in charge of the office were in a central position between the other groups of personnel of the Council and were also generally involved in the wide range of tasks of the institution. It can therefore be assumed that they left their mark not only on archive production, but possibly also on the operation of the Council as a whole. Finding out whether they were capable of having such an influence and whether they actually did is, in other words, the historical objective of our research. Since this thesis is the outcome of a research project initiated by the State Archives in Ghent, the objective is also partly archivistic. Understanding the operation of the registry office logically has afforded new insights into archive production by the Council and, consequently, in the configuration of its sizeable archive files, which are kept at the State Archives in Ghent. In this respect there is an intention, at a later stage, to translate the insights gained into guidelines for present-day archive users on how they can use the records. By setting both historical and archivistic objectives, connection was sought with a number of present lines of investigation found in institutional, (legal)-historical and archivistic studies. A specific feature of these studies is the renewed interest in (legal) institutions from the late Middle Ages and the early modern times, in the lesser-known actors in the branch of justice, and in the role of ‘writers’ within Ancien Régime institutions. The research is guided by two partial questions. Who were these registrars, who are presumed to have been senior officials? And how did their office operate, both internally and within the Council as a whole? To answer both questions a long-term vision is used, spanning the full period of activity of the institution. In addition, maximum use is made of the archives of the Council of Flanders itself, apart from an occasional use of records from a few central institutions (mainly collateral councils). This is of course related to the archivistic objective, for which it was essential to gain a knowledge as thorough as possible or the archive files concerned. As a result, this thesis can be regarded as a micro-study featuring one office of one institution. Nevertheless, since a research period is used that can be considered as longue durée it has been necessary to make thematic choices in both parts of the research. First, in a few introductory reflections some background information is provided on the history of the Council of Flanders and on the areas of competence and the composition of the institution. To allow better understanding of the subsequent presentation of work processes, this information is complemented by a short description of the work environment of the Council based on the work situation in the main residence of the institution (i.e., the Gravensteen in Ghent). The historiographical review that follows mainly focuses on the Southern Netherlands, but a short international perspective is offered as well. This review is subsequently used as a framework to state the problem and to explain the method implemented. ‘Part I: The registry office’ contains the research results relating to the registry office as a body. The subject is approached from three angles. An introductory chapter presents ‘writer’ offices in general and the genesis (or origin) of the registry office of the Council in particular. The second chapter brings up the actual subject of the research; it discusses the developments in the composition of the registry office and raises the question whether these developments were the result of an organic growth process or of steering – if so, by whom? The third chapter analyses the work processes and the division of tasks in the registry office, using the contemporary registrars’ act (19th February 1997). This act emphasizes the duality of the job, i.e. besides their obvious registry tasks registrars have judicial tasks to assist judges. This principle appears to apply very well to the registry office in the Ancien Régime, leading to a number of surprising findings. Furthermore, this Part I also investigates developments in the workload of the Council, which can be extrapolated to the work volume to be dealt with by the registry office as an administrative centre. ‘Part II: The registrars’ discusses the identification and profile of the registrars. This is based on a prosopographic analysis, i.e., a method in which selected personal data are bundled into a collective biography. The method is used rather pragmatically, since the prosopographic investigation is no objective by itself in this thesis. The results can be used to answer the second partial question: is it possible to assess from the profile of the registrars whether they were actually capable of having an influence on the operation of the Council? In fact the prosopographic investigation yields two final products in this respect: a series of biographical notes taken per registrar to compile the ‘biographic dictionary’ presented in an appendix (volume 2), and the statistical processing of these notes in the second part of the actual thesis. The systematic way in which the notes are drafted reveals what questionnaire was used to characterize the research population (personal data, career, origin, in-laws, children, possessions, comments and additional sources). The statistical processing starts with a brief presentation of the research population. Three themes are then developed. The chapter on knowledge background discusses data on education and gives a few indications of the knowledge levels of the registrars. ‘Career development’ describes the full professional careers of the registrars, including the periods before and after they worked for the office. Finally, the chapter ‘Social world’ looks into their geographic and family origins, including their in-laws. This leads to the identification of a few well-defined family clusters within the research population. Professional data on several of their relatives are combined as well, which results in a final image of the professional rise of the registrars and their families. On the basis of both parts of the research, the central question in this thesis can be answered affirmatively. Through the responsibilities assigned to them and the judicial assistance tasks they increasingly took on and were also given, and judging by their competence profiles and their social / family networks, the registrars were definitely capable of having an influence on the operation of the Council. And they actually did, within the relatively wide margin in organizational matters that was left to them in instructions, resolutions or, implicitly, in the conditions for their recruitment, or which they sought themselves if necessary. Traces of this are clearly visible throughout the current archive files of the Council of Flanders, in the way the nodal archives of the institution were incremented and/or constructed. In other words, through a (legal-)historical-archivistic approach this thesis affords new insights into archive production by the Council, the operation of the institution and – by extension – the operation of councils of justice in general. The socio-professional profile of the registrars, who in the past were often ranked among the ‘junior’ personnel, needs to be corrected accordingly. In addition, this research, which hardly contains any comparative elements owing to its initial setup, connects up with various current lines of historic research. In the conclusions we refer among other things to the study of early modern administrative elites or the so-called class of officials; research into bureaucratization and specialization processes; the field of longitudinal court studies; and the analysis of state formation and centralization processes, which has become a classic ˗ the approach most often used in the past in studying the Flemish council of justice. New research questions for the future mainly relate to a socioeconomic approach, a focus on the 18th century and the need for comparative research involving different councils of justice.

Downloads

  • Verfaillie Joke doctoraat band 1.pdf
    • full text
    • |
    • open access
    • |
    • PDF
    • |
    • 6.57 MB
  • Verfaillie Joke doctoraat band 2.pdf
    • full text
    • |
    • open access
    • |
    • PDF
    • |
    • 4.47 MB

Citation

Please use this url to cite or link to this publication:

MLA
Verfaillie, Joke. “Au Coeur De La Cour: Een Analyse Van De Organisatie En Het Personeel Van De Griffie Van De Raad Van Vlaanderen (1386-1795).” 2014 : n. pag. Print.
APA
Verfaillie, J. (2014). Au Coeur de la Cour: een analyse van de organisatie en het personeel van de griffie van de Raad van Vlaanderen (1386-1795). Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Gent.
Chicago author-date
Verfaillie, Joke. 2014. “Au Coeur De La Cour: Een Analyse Van De Organisatie En Het Personeel Van De Griffie Van De Raad Van Vlaanderen (1386-1795)”. Gent: Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte.
Chicago author-date (all authors)
Verfaillie, Joke. 2014. “Au Coeur De La Cour: Een Analyse Van De Organisatie En Het Personeel Van De Griffie Van De Raad Van Vlaanderen (1386-1795)”. Gent: Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte.
Vancouver
1.
Verfaillie J. Au Coeur de la Cour: een analyse van de organisatie en het personeel van de griffie van de Raad van Vlaanderen (1386-1795). [Gent]: Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte; 2014.
IEEE
[1]
J. Verfaillie, “Au Coeur de la Cour: een analyse van de organisatie en het personeel van de griffie van de Raad van Vlaanderen (1386-1795),” Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Gent, 2014.
@phdthesis{5644751,
  abstract     = {Het voorliggende proefschrift behandelt de griffie van de Raad van Vlaanderen (1386-1795), de hoogste justitieraad van het voormalige graafschap Vlaanderen. Bij wijze van centrale vraag wordt op zoek gegaan naar bevestiging of ontkrachting van een hypothese. De griffie van een vroegmoderne justitieraad kan immers, naar analogie met moderne griffies, worden beschouwd als het zenuwcentrum van alle administratieve activiteiten. De griffiers of zogenoemde ‘schrijvers’, die aan het hoofd van die dienst stonden, bevonden zich in een centrale positie tussen de overige groepen medewerkers van de Raad én waren doorgaans betrokken bij het brede spectrum aan taken van de instelling. Er kan dus worden verondersteld dat zij hun stempel niet alleen op de archiefvorming, maar mogelijk ook op de werking van de Raad in zijn geheel hebben gedrukt. Uitzoeken of zij in staat waren zo’n invloed uit te oefenen en of zij dat ook effectief hebben gedaan, vormt met andere woorden de historische doelstelling van het onderzoek. Omdat dit proefschrift het resultaat is van een onderzoeksproject dat in het Rijksarchief te Gent werd opgestart, heeft het ook een archivistische doelstelling. Inzicht in de werking van de griffie levert logischerwijze nieuwe elementen op over de archiefvorming van de Raad en, bijgevolg, over de vormgeving van zijn omvangrijke archiefbestand, dat in het Rijksarchief te Gent wordt bewaard. Het is dan ook de bedoeling om die verworven inzichten later te vertalen naar de hedendaagse archiefgebruikers toe en hen een inkijk te bieden in de gebruiksmogelijkheden van het bestand.
Met de historische en de archivistische doelstelling wordt aansluiting gezocht bij enkele hedendaagse onderzoekslijnen die in institutionele, (rechts)historische en archivistische studies voorkomen. Het gaat, met name, hoofdzakelijk om de hernieuwde aandacht voor (gerechtelijke) instellingen uit de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd, voor de minder bekende actoren binnen het domein van justitie en voor de rol van de ‘schrijvers’ binnen ancien-régimeinstellingen.
Het onderzoek wordt aan de hand van twee deelvragen gevoerd. Wie waren deze griffiers, waarvan vermoed wordt dat het topambtenaren waren? En hoe werkte hun dienst, zowel intern als in het geheel van de Raad? Voor de beantwoording van beide vragen wordt een langetermijnvisie gehanteerd, over de volledige werkingsperiode van de instelling heen. Daarenboven wordt zoveel mogelijk op het archief van de Raad van Vlaanderen zelf gesteund, met uitzondering van het archief van enkele centrale instellingen (hoofdzakelijk collaterale raden). Dit houdt uiteraard verband met de archivistische doelstelling, waarbij het van primordiaal belang was om het desbetreffende archiefbestand zo goed mogelijk te leren kennen. Dit proefschrift vormt dan ook, als het ware, een microstudie die over één dienst van een instelling handelt. Door het gebruik van een onderzoeksperiode die als longue durée kan worden beschouwd, was het noodzakelijk om in beide onderzoeksdelen toch thematische keuzes te maken.
Enkele ‘Inleidende beschouwingen’ bieden vooreerst wat achtergrondinformatie over de geschiedenis van de Raad van Vlaanderen, de bevoegdheden en de samenstelling van de instelling. Voor een beter begrip van de latere uiteenzetting over werkprocessen wordt tevens een korte beschrijving van de werkomgeving van de Raad gegeven, gebaseerd op de werksituatie in de voornaamste residentie van de instelling (i.c. het Gentse Gravensteen). In het daaropvolgende historiografische overzicht komen hoofdzakelijk de Zuidelijke Nederlanden in beeld; daarnaast wordt een beknopt internationaal perspectief geboden. Dit overzicht dient vervolgens als kader om de probleemstelling te formuleren en de gehanteerde methode toe te lichten.
‘Deel I: De griffie’ bevat de onderzoeksresultaten over de griffie als corpus. Het is opgesteld vanuit drie invalshoeken. Een inleidend hoofdstuk behandelt ‘schrijversdiensten’ in het algemeen en de aanloop naar (het ontstaan van) de griffie van de Raad in het bijzonder. In het tweede hoofdstuk komt het eigenlijke voorwerp van onderzoek in beeld. Het behandelt de evolutie van de samenstelling van de griffie en stelt de vraag of deze evolutie het resultaat was van een organisch groeiproces of van sturing ˗ en zo ja, door wie? In het derde hoofdstuk worden de werkprocessen en de taakverdeling van de griffie geanalyseerd, aan de hand van de moderne wet op het griffiersambt (17 februari 1997). Die wet benadrukt de dualiteit van de functie, namelijk dat griffiers uiteraard griffietaken op zich nemen, maar dat ze ook gerechtelijke taken hebben waarmee ze de rechters bijstaan. Die leidraad blijkt uitstekend toepasbaar te zijn op de griffie uit het ancien régime, waardoor enkele verrassende vaststellingen kunnen worden gedaan. Daarnaast wordt in dit Deel 1 ook de vraag gesteld naar de evolutie van de werklast van de Raad, wat kan worden geëxtrapoleerd naar het werkvolume dat de griffie als administratief centrum te verwerken kreeg.
In ‘Deel II: De griffiers’ komen de identificatie en het profiel van de griffiers aan bod. Dit gebeurt aan de hand van een prosopografische analyse, of dus de methode waarbij een selectie van persoonsgegevens wordt gebundeld tot een collectieve biografie. Deze methode wordt veeleer pragmatisch toegepast, omdat het prosopografische onderzoek in dit proefschrift geen doel op zich vormt. De resultaten ervan worden gebruikt om de tweede deelvraag te beantwoorden: kan aan de hand van het profiel van de griffiers worden ingeschat of ze in staat waren om effectief invloed uit te oefenen op de werking van de Raad? Dit onderzoeksdeel levert in feite twee eindproducten op, namelijk een reeks biografische notities die per griffier werden opgesteld en samen het ‘biografische woordenboek’ als bijlage (band 2) vormen, en de statistische verwerking van die notities in het tweede deel van het eigenlijke proefschrift. De systematische opstelling van de notities onthult welke vragenlijst op de onderzoekspopulatie werd toegepast (personalia, loopbaan, afkomst, schoonfamilie, kinderen, bezittingen, opmerkingen en aanvullende bronnen). In de statistische verwerking wordt de onderzoekspopulatie eerst kort voorgesteld. Daarna komen drie thema’s aan bod. Het hoofdstuk kennisachtergrond belicht gegevens over scholing en biedt enkele indicaties over het kennisniveau van de griffiers. Carrièreverloop behandelt de volledige loopbaan van de griffiers, inclusief de periode voor en na hun griffiersambt. In het hoofdstuk leefwereld wordt tot slot de vraag gesteld naar hun geografische en familiale afkomst, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan schoonfamilie. Dit leidt tot de identificatie van enkele welomschreven familieclusters binnen de onderzoekspopulatie. Beroepsgegevens over verscheidene van hun verwanten worden daarenboven samengevoegd, wat finaal een beeld oplevert van de professionele opgang van de griffiers en hun familie.
Op grond van beide onderzoeksdelen kan de centrale vraag binnen dit proefschrift positief worden beantwoord. Vanuit de verantwoordelijkheden die hen waren toegekend, de assisterende gerechtelijke rol die zij zichzelf steeds meer gingen toebedelen en die ze ook toebedeeld kregen, en op basis van hun competentieprofiel en hun sociale / familiale netwerken, waren de griffiers wel degelijk in staat om invloed uit te oefenen op de werking van de Raad. Zij deden dat ook, binnen de relatief grote marge die hen op organisatorisch vlak in instructies, resoluties en voorwaarden bij benoeming impliciet werd toegekend, of die ze desnoods zelf opzochten. De sporen daarvan zijn door het huidige archiefbestand van de Raad van Vlaanderen heen duidelijk te merken aan de manier waarop het kernarchief van de instelling is gegroeid en/of geconstrueerd. Met andere woorden, dankzij een (rechts)historisch-archivistische benaderingswijze verschaft dit proefschrift nieuwe inzichten in de archiefvorming en de medewerkers van de Raad, de werking van de instelling en ˗ bij uitbreiding ˗ de werking van justitieraden in het algemeen. Het socio-professionele profiel van de griffiers, die in het verleden vaak tot het ‘lagere personeel’ werden gerekend, moet dan ook worden bijgesteld.
Daarnaast kan in dit onderzoek, dat wegens de initiële opzet nauwelijks comparatieve elementen bevat, aansluiting worden gevonden bij diverse onderzoekslijnen die historiografisch actueel zijn. In de conclusies verwijzen wij onder meer naar de studie van vroegmoderne administratieve elites of de zogenoemde ambtenarenklasse; onderzoek naar bureaucratiserings- en specialiseringsprocessen; het domein van de kwantitatieve rechtspraakgeschiedenis; en de ondertussen klassiek geworden analyse van staatsvormings- en centraliseringsprocessen ˗ de invalshoek die in het verleden het meest werd toegepast bij het bestuderen van de Vlaamse justitieraad. Toekomstige, nieuwe onderzoeksvragen betreffen hoofdzakelijk een sociaal-economische invalshoek, een focus op de 18de eeuw en de noodzaak van comparatief onderzoek over verschillende justitieraden heen.},
  author       = {Verfaillie, Joke},
  language     = {dut},
  pages        = {2 v},
  publisher    = {Universiteit Gent. Faculteit Letteren en Wijsbegeerte},
  school       = {Ghent University},
  title        = {Au Coeur de la Cour: een analyse van de organisatie en het personeel van de griffie van de Raad van Vlaanderen (1386-1795)},
  year         = {2014},
}